• Maak Kennis
    met het Nederlands Jazz Archief en ontvang vrijblijvend het gratis kennismakingspakket.
  • Word Vriend
    van het Nederlands Jazz Archief en lees 4 keer per jaar Jazzbulletin.
  • Doneer
    en ondersteun onze activiteiten om de jazzgeschiedenis levend te houden.

Gepubliceerd op 26 juni 2020 door jan brouwer

Categorieen: jazzbulletin Jazzhelden

Op 26-6-2020 wordt op InJazz bekendgemaakt dat Ack van Rooyen de Buma Boy Edgar Prijs 2020 krijgt. Boris Lemereis interviewde de maestro enige jaren geleden voor Jazzbulletin. Dit verhaal willen we u niet onthouden!

Ack en de Wonderbugel

Tekst: Boris Lemereis, foto: Joke Schot. (Uit: Jazz Bulletin 105, december 2017)

Op 1 januari wordt hij 88, maar nog steeds speelt Ack van Rooyen jazz op het hoogste creatieve niveau. Terecht is hij op 26 november geëerd met de Blijvend Applaus Prijs voor podiumkunstenaars op leeftijd, maar hij blijft zijn bescheiden zelf. ‘Mijn beste solo’s bedenk ik vaak pas in de auto op weg naar huis.’

Als Ack van Rooyen opnamen van zijn spel van vijftig jaar geleden terugluistert, is het alsof hij zijn eigen stem terughoort. Hij herkent het meteen. ‘Ik geloof dat iemands spel eigenlijk in een leven niet zoveel verandert. Als ik Chet Baker hoor zoals hij speelde toen hij twintig jaar oud was, en vlak voor zijn dood, dan is het nog steeds Chet Baker. Dat hoor je meteen. Waarom? Omdat niemand anders zo speelt. Er zit iets bekends in.’ Wel zijn er dingen veranderd, zegt hij. ‘Mijn vroegere spel klinkt fysieker, mijn adem is krachtiger. Ik weet ook dat ik niet meer zo kan spelen, maar er is genoeg overgebleven. Eén ding zal nooit veranderen: mijn beste solo’s. Die bedenk ik vaak pas in de auto op weg naar huis. Ik denk nog altijd: Als ik toch eens…’

Ack van Rooyen is een van de weinige trompettisten die op zo’n lange loopbaan kunnen terugblikken. Hij werd op 1 januari 1930 geboren in Den Haag en begon al in zijn tienerjaren trompet te spelen. Inmiddels is hij 87 en treedt nog steeds op, tegenwoordig alleen op flügelhom oftewel bugel. Op 26 november werd hij geëerd met de Blijvend Applaus Prijs, een oeuvreprijs voor podiumkunstenaars met een lange staat van dienst.
Dat terwijl de muzikale carrière van Van Rooyen begon door een toevalligheid. Zijn vader zat in het bestuur van de lokale harmonievereniging en wilde graag dat zijn zoons Ack en Jerry (toen nog Arie en Gerard) daar kwamen meespelen. Van Rooyen: ‘Het was maar net welk instrument je daar toegedeeld kreeg. Als er wat vrijkwam, of er overleed iemand, kon iemand anders die plaats innemen. Instrumenten waren toen erg duur. Ik kreeg eerst een saxofoon, maar vond de trompet toch interessanter.’

Arie van Rooijen (rechts met bugel) en zijn broer Gerard (links met trompet), 1938

 

Net als veel jazzmuzikanten begint Van Rooyen met voornamelijk klassieke lessen. In de jaren veertig komt hij geleidelijk met jazz in aanraking. Als 16-jarige vertrekt hij naar Nederlands-lndië, om, onder meer samen met Jerry, muziek te maken voor de Nederlandse militairen die daar gestationeerd zijn. Daar maakt hij kennis met modernere jazz, en hoort hij via de Amerikaanse soldaten voor het eerst bebop van Dizzy Gillespie en Charlie Parker. Dat slaat in.
Bij terugkeer in Nederland start hij een klassieke opleiding aan het Haags Conservatorium en slaagt binnen vier jaar cumlaude. Mede dankzij het goede afstudeerresultaat komt Van Rooyen in 1950 terecht bij de Arnhemsche Orchest Vereeniging, de voorganger van Het Gelders Orkest. ‘Het was een ontzettende belevenis om in het midden van zo’n lichaam te zitten. Ik zal nooit vergeten wat daar allemaal gebeurt, wat je hoort. En de verantwoording. Dat is heel wat anders dan wanneer je in de zaal zit. Het is hemels.’ Tegelijkertijd zit hij in het symfonieorkest niet helemaal op zijn plek. ‘Ik was 19 en eigenlijk paste dat niet. Net als een oude man in een voetbalelftal niet past.
Van mijn hele periode daar herinner ik me bijvoorbeeld de muziek van Béla Bartók nog, maar de hele Beethovencyclus niet meer. Zo ver was ik nog niet in mijn rijpheid.’

Ook de jazz blijft trekken. In zijn dagen bij Het Gelders Orkest trekt Van Rooyen ’s avonds vaak naar de Amsterdamse jazzclub Sheherazade, om zijn helden te horen spelen. ‘Af en toe mocht ik een stukje meespelen, en wist ik: dit wil ik ook. Improviseren.’

Ack (links) en Jerry van Rooyen met Tony Vos in de Haagsche Jazzclub, 1953

Twee steenbokken

In 1955 worden Ack en zijn broer Jerry lid van The Ramblers, vooral bekend van de VARA-radio. Twee jaar later vertrekt hij naar Parijs, om in het orkest van Aimé Barelli te spelen. Na Frankrijk volgt een lange tijd in Duitsland. Pas in 1980 keert Ack van Rooyen terug naar Nederland. Intussen is hij een internationaal gevierd trompettist, die samenspel met prominenten als Lee Konitz, Clark Terry en Gil Evans op zijn naam heeft staan.

Nu u toch hier bent…
U leest een artikel uit het tijdschrift Jazz Bulletin. Met plezier delen we dit met u, maar het blad komt niet vanzelf tot stand.

Het Nederlands Jazz Archief documenteert en ontsluit al 40 jaar de jazz in Nederland. Sinds 2013 gebeurt dat geheel zonder overheidssteun en daar zal de komende jaren niet direct verandering in komen. Een groep vrienden zorgt ervoor dat wij kunnen doorgaan met al onze activiteiten: zij lezen daarom vier keer per jaar het Jazz Bulletin. Er komt geen eind aan het verhaal van de Nederlandse jazz, zolang onze rijke geschiedenis wordt gekoesterd en gedeeld.

Ondersteun onze missie om de Nederlandse jazzgeschiedenis te verzamelen, te beheren en naar buiten te brengen. Doe een eenmalige donatie of word Vriend en lees het zinnigste jazzblad van Nederland voortaan helemaal!

Het is met name in die jaren dat Van Rooyen nog veel samenspeelt met broer Jerry, die bekendheid verwerft als dirigent, arrangeur, trompettist en componist. Hij omschrijft zijn broer als supergetalenteerd. ‘Hij was ver vooruit op mij. Ik speelde nog voetbal, en hij zat te arrangeren. Hij heeft zichzelf piano aangeleerd en vioollessen genomen. Hoe hij dat deed? Verklaar jij maar eens talent. Ik denk dat oren een belangrijke rol speelden. Wat het oog is voor de schilder, is het oor voor de muzikant.’
Hoewel het weleens botste tussen de broers (‘We zijn allebei steenbokken, daar is eigenlijk alles al mee gezegd’), is er nooit sprake van zware competitie geweest.
‘Hij was harmonisch veel beter. Ik was meer instrumentaal gericht, de melodische kant. Dat heeft elkaar niet gebeten.’ Als Ack van Rooyen na terugkeer in Nederland aan de slag gaat bij het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, geniet hij ook als docent grote populariteit. Veel leerlingen kiezen de opleiding omdat hij daar doceert. Ook docenten hebben respect voor zijn staat van dienst. Wouter Turkenburg, hoofd van de jazzafdeling van het conservatorium, herinnert zich het moment dat hij Van Rooyen ontmoette nog goed. Het was 1985 en Turkenburg was net aangesteld in zijn huidige functie. ‘Ik kende Ack voornamelijk als trompettist van The Skymasters. Hij was voor mij een grootheid. Ik herinner me nog dat ik me met knikkende knietjes ging voorstellen. “Mag ik Ack zeggen?” Maar het was meteen heel positief en gemoedelijk.’
De bescheiden persoonlijkheid van Ack van Rooyen werkte goed door in zijn lessen, zegt Turkenburg. ‘Ik zag dat hij veel meer wist en kende dan zijn leerlingen. En toch lukte het hem hen als gelijkwaardig te beschouwen. Tegelijkertijd was hij superstreng. Hij kon behoorlijk rechttoe rechtaan uit de hoek komen. Terwijl andere docenten klaagden dat hun trompettist niet kwam opdagen, hadden we altijd de grootste moeite om de combo’s van Ack niet tot big bands te laten uitgroeien. Want iedereen wilde bij hem in de combo.’

Poëtische bewoordingen

Trompettist Jarmo Hoogendijk, die Van Rooyen later opvolgde als docent op het conservatorium, herkent dat beeld. Hij was in de jaren tachtig een leerling van hem. ‘Acks combolessen waren vaak op zaterdagochtend. Dat is een tijd dat de meeste jazzmuzikanten met een kater op bed liggen. Niet bij de lessen van Ack, alle studenten kwamen daar hun bed voor uit. Er werd tijdens zo’n sessie voornamelijk gespeeld, Ack zei niet zoveel.’

Ook in de individuele lessen die Jarmo Hoogendijk volgde, was Van Rooyen weinig spraakzaam. ‘We zaten voornamelijk te spelen. Met ideeën te strooien. Hij acht maten, ik acht maten. Wat Ack me vooral heeft bijgebracht, is smaakgevoel, esthetiek. Bijvoorbeeld de space tussen je frases in, het moment dat je dat ding uit je gezicht moet halen. Ack zei altijd dat ik de muziek moest laten ademen. Hij praatte vaak in cryptische beschrijvingen, prachtig gevonden poëtische bewoordingen. En af en toe was het dan weer plat: “Hé Jar, dit was gewoon lelijk.” Dat kon ik goed van hem hebben, want hij was een goede vriend en een aardige kerel. Op dat soort momenten wist ik: nou wil hij me echt iets leren.’
Als leerling kwam Hoogendijk ook geregeld bij Van Rooyen over de vloer. ‘Hij omarmde al zijn studenten. Zijn deur stond open. Ik bladerde door zijn indrukwekkende platen- en boekencollectie, en zijn vrouw Barbara maakte dan eten.
‘Ack is bescheiden, maar als het nodig was, durfde hij alles te zeggen. Hij heeft geen angst om te spreken, ook niet voor een zaal vol mensen. Het is bij hem net als met spelen. Veel woorden en veel noten heeft hij niet nodig, maar als er iets komt is het de moeite waard.
‘We liepen een keer het podium op met The Netherlands Concert Jazz Band. We kwamen de schouwburgzaal binnen en zagen dat er maar een stuk of vijf a tien mensen in de zaal zaten. Er was nauwelijks applaus en niemand lachte. Terwijl we opliepen, doorbrak de hese stem van Ack de pijnlijk ongemakkelijke stilte. Net hard genoeg zodat iedereen het kon horen, zei hij: “Is er nog iemand die afscheid wil nemen van de overledene?” Ik kon van het lachen mijn eerste noten niet meer spelen.’
Het is een van de vele podiumverhalen die over Ack van Rooyen de ronde doen.

Saxofonist Ben van den Dungen herinnert zich een gezamenlijk optreden dat in de jazzwereld inmiddels een bekende anekdote is geworden. Hij speelde halverwege de jaren negentig samen met Van Rooyen op het North Sea Jazz Festival. ‘We begeleidden zangeres Fleurine Verloop. De band van trompettist Roy Hargrove was uitgenodigd om mee te spelen. Hargroves ster was rijzende, maar zijn drugsgebruik ook, vermoed ik. Op het moment dat het thema werd ingezet, duwde Roy Hargrove Ack min of meer opzij en begon meteen een solo te spelen. Totaal bizar en over de top. Het hele stuk liep in de soep, door zijn absurde ritmes raakte de ritmesectie het helemaal kwijt. Dat ging een tijdje door totdat hij afhaakte en wegliep.
‘Ack had er tot dat moment naast gestaan, luisterend naar de herrie. Toen Hargrove wegliep, was iedereen in spanning wat Ack ging doen. Die schuifelde op zijn gemakje naar de microfoon, zette zijn trompet ertegenaan, en deed vervolgens
niks. Eén chorus liet hij voorbijgaan. Ook het tweede rondje speelde hij niet. De spanning bij het publiek liep op. Pas bij het derde rondje liet Ack van zich horen. Dat deed hij met slechts twee – subliem getimede – noten: pa-dam. Het publiek barstte in gejuich uit en Ack kreeg een staande ovatie. Hij nam zijn applaus, en liep het podium af. Fantastisch. Roy Hargrove was er met twee noten uit gespeeld. Het getuigde van beheersing, en overzicht. Ack voelde nergens de noodzaak om eroverheen te gaan.’

Weinig concessies

Ack van Rooyen gelooft in de kracht van het weglaten, zegt hij zelf. ‘Ik dacht op een gegeven moment: Waarom vind ik die muziek van Miles Davis zo mooi? Het was omdat hij dingen wegliet. Als je dat doet, wordt het steeds interessanter. Niet alleen voor de luisteraar, maar ook voor de mensen die met je spelen. Als je alles volspeelt, dan zie je ze interesse verliezen. Weglaten is de grote kracht van Miles Davis geweest. Van Piet Mondriaan trouwens ook.
‘Het is iets wat je later pas leert. Als je jong bent, bla-bla je er maar wat op los. Met volle overtuiging, daar niet van. Maar je neemt te veel verantwoordelijkheid. Dan denk je dat als jij ophoudt, alles ophoudt. Nu ben ik me ervan bewust dingen weg te laten. Dat is belangrijk. En ook dat je, terwijl je speelt, hoort wat de ander doet.’

De jury van de Blijvend Applaus Prijs beschrijft hem als een muzikant die ‘nog altijd bekender is onder muzikanten dan bij het publiek’. Van Rooyen beaamt dat. ‘Ik heb er nooit extra moeite voor gedaan bekend te worden.’ Maar de bekendheid
die hij geniet, bevalt hem. ‘Natuurlijk. It pleases the ego.
‘Je doet iets in de hoop dat een ander dat mooi vindt. Maar als je het alleen voor de ander doet, dan kom je in een heel commerciële wereld terecht. Hoewel, in de muziek moet je soms toch concessies doen.
‘Ik heb altijd comfortabel willen leven, maar heb er nooit dingen voor moeten laten. De jobs kwamen op me toe. Tegenwoordig is dat wel anders. Die jongens zitten uren aan de telefoon. Dat heb ik nooit gedaan. Ook nooit leuk gevonden.’

Ook op het podium doet Van Rooyen wat voor hem het beste voelt. ‘Ik ben me natuurlijk wel van het publiek bewust, maar doe eigenlijk heel weinig concessies. Ik probeer niet hoger te spelen dan ik wil. Of lager. Of linkser. Als je zelf niet gelooft in wat je doet, kun je het nooit geloofwaardig maken.
‘Als ik voor publiek speel, is het een no mind experience. Eigenlijk heb je er zelf niks meer mee te maken. je probeert te spelen wat er door je heen gaat. Als je hoofd erbij komt, dan komen er problemen. Als je te veel je best doet, gaat het verkeerd’.
‘Natuurlijk krijg je routine bij optredens. Er zijn momenten dat je weet dat bepaalde dingen werken, en die je dan uit de trukendoos haalt. Welke stukken je moet spelen, de groove die je kiest, wanneer je een ballad moet spelen. Het is gevoelsmatig, want ik ben steeds meer publiek geworden. Ik denk: Als ik daar zou zitten, wat zou ik er dan van denken?’

Ik luister naar muziek met mijn hoofd (foto: Joke Schot)

Ernst en toewijding

De Blijvend Applaus Prijs voelt voor velen als een terechte erkenning, die Van Rooyen te weinig heeft gekregen in zijn leven. Zangeres Greetje Kauffeld roemt zijn liefde voor muziek, die er volgens haar voor zorgt dat hij op deze leeftijd nog altijd speelt. ‘Je hoort het aan zijn spel. Het is heel toegewijd.’ Ack van Rooyen speelde op het recentste album van Kauffeld mee. ‘Bij het opnemen van die cd merkte ik de toewijding. De ernst waarmee het inspelen gebeurt. Het is niet zomaar iets wat hij er even bij doet.’
Jarmo Hoogendijk: ‘Je herkent Ack meteen aan één noot. Een lange toon met snel vibrato van hem is uit duizenden te herkennen. En je hoort altijd de blues bij hem, in zijn melodieën. Hij is sowieso altijd goed met eenvoudige, meezingbare en geestig gevonden stukjes melodie.
‘Met flügelhom heeft Ack wat mij betreft de standaard gezet voor hoe het instrument zou moeten klinken in de jazz. Je hoort het vaak als het eigenlijk een trompettist is die er flügelhorn bij speelt. Maar bij Ack klinkt het alsof het instrument voor hem is gemaakt.’

Trompettist Ado Broodboom (95), die geregeld met Van Rooyen samenspeelde en hem opvolgde bij The Ramblers, is het daarmee eens. ‘De flügelhorn is voor Ack geschapen; dat instrument moet bij hem in de wieg hebben gelegen. Hij is er zelf ook achter gekomen, want als je hem nu hoort, is het hoofdzakelijk flügelhorn. Ack heeft een uitstekende notenkeuze. Hij weet precies wat hij wel en niet kan.’ Zelf omschrijft Van Rooyen de bugel als ‘minder strijdvaardig, net als altviool bij de strijkers’. ‘Dat past beter bij de muziek die ik speel.’
Standards hebben zijn voorkeur. ‘Ik heb het American Songbook nog steeds niet uitgespeeld. Daar staan zoveel waardevolle dingen in. Het is niet alleen de melodie, maar ook de tekst en alles wat erbij hoort. Er zijn mensen die leuke stukjes schrijven, maar hier staan dingen, met die teksten erbij, dat is poëzie.
‘Dexter Gordon zei ooit: “Een ballad kun je eigenlijk niet spelen als je de tekst niet kent.” En dat is zo. Meestal ken ik brokstukken van de teksten. Het is niet letterlijk zo dat ik sta te spelen en de tekst erbij probeer te verzinnen, maar als het een droevige tekst is, ga ik het niet proberen op te vrolijken.’

Vlammen en vuur

Met hedendaagse muziek heeft Ack van Rooyen minder op. ‘Gitarist Jim Hall stond ooit naar een bandje te luisteren bij een festival en zei: ‘I like it. I like the chords. Both of them.” Harmonisch is alles heel vertraagd. De muziek van Miles of Clifford is veel te moeilijk. Dat is onbereikbaar.
‘De jazz heeft zo’n hoogtepunt bereikt rond de tijd van Charlie Parker. Het lijkt alsof het opnieuw begint. Nu vind ik de muziek eigenlijk niet zo interessant. Het is allemaal veel optischer gericht, met licht en elektronische effecten. Als je in een orkest zit en je speelt de sterren van de hemel, maar je danst er niet bij, of je hebt de juiste schoenen niet, dan verlies je de aandacht. Terwijl je gewoon je best zit te doen. Je hebt er je hele leven voor gestudeerd.
‘Ik luister naar muziek met mijn hoofd. Maar door het volume dat de kinderen nu beleven, is het alsof het door je hele lichaam gaat. Dat is de verslaving ook, denk ik. Als dingen niet heel snel gaan, is het niet meer interessant.
‘Ik liep laatst op North Sea Jazz rond, omdat ik daar moest spelen. Die jongens spelen allemaal goed, anders ben je daar niet. Maar die geluidssterkte… Het is net of het een competitie is wie er het hardst kan. Wie komt er nog mee weg? En als je dat lang genoeg doet, word je doof. Dus dan moet het ook wel harder.
‘Het is wat het is. Je kunt er een mening over hebben, maar als je er te lang over nadenkt, word je alleen maar chagrijnig.
‘Ik praat nu wel de hele tijd over muziek, maar je kunt er eigenlijk weinig over zeggen. Het is een belevenis. Als je droevig bent, kan het je droeviger maken. Als je vrolijk bent, kan het je vrolijker maken. Ik ben behoorlijk zelfkritisch, maar soms ben ik wel tevreden over mijn spel. En zelfs als het niet perfect was, kan ik ook gewoon genoegdoening halen uit die beste solo’s op weg naar huis.’
Een uitgebreid filmportret van Ack van Rooyen is te zien op Jazzhelden

Steun ons!

Al 40 jaar verzamelen, documenteren en ontsluiten wij de jazz in Nederland.
Sinds 2013 gebeurt dat geheel zonder overheidssteun en daar zal de komende jaren niet direct verandering in komen. Een groep vrienden zorgt ervoor dat wij kunnen doorgaan met al onze activiteiten: zij lezen daarom vier keer per jaar het Jazz Bulletin. Er komt geen eind aan het verhaal van de Nederlandse jazz, zolang onze rijke geschiedenis wordt gekoesterd en gedeeld.

Ondersteun onze missie om de Nederlandse jazzgeschiedenis te verzamelen, te beheren en naar buiten te brengen. Doe een eenmalige donatie of word Vriend en lees 4 keer per jaar Jazz Bulletin, het zinnigste jazzblad van Nederland!

Luister naar Ack in de jaren '50

thumbnail Rob Pronk: the Bebop Years, 1950-1957
En weer een pareltje op het Jazz Archieflabel. Schatgraver Frank Jochemsen diept bijzondere opnamen op van pianist/trompettist/arrangeur en dirigent Rob...

thumbnail Jasper van't Hof pianist

Het klinkt als een cliché, maar het het is gewoon zo: geen toekomst zonder verleden. Het komt allemaal ergens vandaan. En vanuit die geschiedenis ontstaan geweldige dingen die er nooit waren.