Dit is de integrale versie van het artikel dat in verkorte vorm is afgedrukt in
Jazz Bulletin nr 66, pagina 20 t/m 27.
Dave Brubeck heeft aangekondigd geen tournees meer te maken naar Europa. Hij maakte dit bekend tijdens een concert op 16 maart 2006 in het Civic Auditorium te Santa Cruz in Californië. Letterlijk zei hij “We toured Europe three times last year.” en hij voegde daaraan toe “But we’re not going back! They don’t believe you when you say ‘no’ on the phone, so I put it in writing. And I kept a copy!”. Brubeck kwam tot zijn besluit gedurende een strandwandeling op Sanibel Island, Florida. Na een drukke decembermaand met o.a. een concert in London t.g.v. van zijn 85ste verjaardag en een drukke Europese tournee, besloot hij dat 2005 “the last hurrah” 1 was en dat hij niet meer naar Europa zou gaan, maar ook niet meer naar Japan, China of Australië. Op vragen van Australische vrienden had Russell Gloyd (de manager en huisdirigent van Brubeck) geantwoord: “Only one thing would make it possible for Dave to come. And that’s Continental Drift.” 1
Het staat nog te bezien of Brubeck zijn “belofte” houdt. Misschien kan hij toch niet de verleiding weerstaan om in 2008 het feit te herdenken dat hij een halve eeuw geleden zijn eerst Europese tournee maakte. Of om in 2010 zijn 90ste verjaardag te vieren, zoals hij in 1995, 2000 en 2005 zijn 75ste, 80ste en 85ste verjaardag vierde, met het London Symphony Orchestra.
Als Brubeck inderdaad niet meer naar Europa komt betekent dit, dat het concert van 25 oktober 2004 het laatste optreden van Brubeck in Nederland was. Nogmaals, we wachten het maar af, maar de bekendmaking op zich is een goede aanleiding om terug te blikken op de concerten die Brubeck heeft gegeven in Nederland.
Dave Brubecks debuut vond plaats op 28 februari 1958 in het Amsterdamse Concertgebouw. Dit concert was onderdeel van een omvangrijke Europees/Aziatische tournee die op 8 februari begon in Groot Brittannië met een concert in de Royal Albert Hall in London. Dit concert was het begin van een 16-daagse tournee door Engeland, waarbij 14 steden werden aangedaan. In London volgden nog 2 concerten in het Dominion Theatre op 16 en 23 februari en dit laatste concert was tevens de afsluiting van de Britse tournee. In Nederland werd maar één concert gegeven.
In 1958 was Brubeck al een omstreden figuur. In een voorbeschouwing van het concert in Amsterdam schreef Anton Kop in Rhythme 2: “Deze maand gaan we een Quartet bekijken, dat behalve uit een uitermate kapabele bassist en drummer uit twee der ongetwijfeld meest besproken musici van onze tijd bestaat; Dave Brubeck en Paul Desmond. Is Paul Desmond het middelpunt der gesprekken vanwege zijn vrijwel algemeen aanvaarde meesterschap – en leiderschap op de altsax –, bij Dave Brubeck ligt de zaak even anders. Hij wordt namelijk niet alleen door tallozen verafgood, hij wordt ook – en misschien wel door evenzovelen – verguisd. En waarom? ‘Brubeck swingt niet’, zegt die niet aanzienlijk groep van anti’s ‘en zijn muziek is geen jazz’.” Kop adviseert het concert te gaan beluisteren: “U zult er, naar wij aannemen, zeker tevreden vandaan komen”.
Het had vast niets met deze oproep te maken, maar het Concertgebouw zat vol. Volgens een recensent was het zo vol, voornamelijk jeugdigen, dat de vooraanzittenden hun benen onder de vleugel schoven. 3 Het publiek en ook de recensenten kwamen er tevreden vandaan: “Weer waren het vooral de melancholie, bijna fluisterende, passages, die de wildste toejuichingen uitlokte. Brubeck heeft een toucher, dat zacht en fors, genuanceerd en geraffineerd, maar altijd welluidend is, en eerder aan Schumann doet denken dan, laat ons eens zeggen, Stravinsky. Hij bouwt langademige crescendi op, die weer in enkele stokkende noten uitsterven. Hij maakt het zijn ritme-sectie niet gemakkelijk, want een heel nummer lang deelt hij de maat anders in dan de drummer. Met zijn medespelers geeft hij staaltjes van een muzikale dialoog te horen die bewonderens-waardig zijn. Men kan niet ontkennen, dat er deze avond dikwijls goede en originele muziek heeft geklonken in het Concertgebouw.” 3
Ook criticus Ton de Joode (de vader van bassist Wilbert de Joode) van dagblad Het Vrije Volk toonde zich tevreden: “De stortvloed akkoorden loopt uit in een beekje vol melodie. De vingers die zo-even nog de toetsen geselden, strelen nu het ivoor. Iemand in de zaal wordt de spanning te veel; hij applaudisseert. Brubeck heft een ogenblik het gebogen hoofd. Hij knikt nauwelijks merkbaar alsof hij wil gebaren: ‘Stil ik ga nog verder.’ Verder, verder, ook als het leek of er geen verder meer mogelijk was: dat heeft van het begin tot het eind gegolden voor het concert, dat Dave Brubeck gisteravond met zijn kwartet in het Amsterdamse Concertgebouw heeft gegeven. Verder in een baaierd van vaak atonale akkoorden, in het wekken van spanningen en het oplossen ervan. Alleen Brubeck kan het, zoals duizenden het in de concertzaal en gedeeltelijk ook over de radio hebben gehoord. Maar alleen Brubeck kan zich ook permitteren het gebied te betreden dat ligt tussen jazz en klassieke muziek. Waarom? Omdat hij een improvisatievermogen heeft dat onuitputtelijk schijnt. Omdat hij plotseling uit een herhaling van een reeks grillge akkoorden een melodie kan laten groeien. Omdat hij met die melodie lijkt te kunnen doen wat hij wil. Men kan zich gaan verdiepen over de vraag, vanuit welk standpunt men Brubecks muziek moet bekijken. Moet men de jazz als maatstaf gebruiken? Of moet men alles horen met een klassiek oor? Geen van beide zijn juist. Brubeck bewandelt wegen die tussen beide taken van muziek doorlopen, en daarom moet men zijn prestaties vanuit een tweedelig standpunt beoordelen. Wie dat gisteravond heeft gedaan - en velen hebben laten blijken dat zij het hebben gedaan - heeft een concert gehoord van grote schoonheid. Die schoonheid is trouwens niet alleen het werk geweest van Brubeck. De leden van zijn kwartet zijn volkomen afgestemd op het spel van de leider. De soli van altsaxofonist Paul Desmond vooral waren stukken muziek met een rijkdom aan improvisatie. En het werk van drummer Joe Morello was stuwend en knap, ook in zijn uitvoerige solo aan het slot. Eugene Wright, vervanger van de eigenlijke bassist van het kwartet (Norman Bates) paste zich goed aan bij de Brubeck-stijl, maar was toch de minst sterke musicus in het kwartet.”
Was ik er maar bij geweest, helaas ik was toen pas 15, ik was nog bezig met het ontdekken van de rock ’n roll en ik wist nog niets van Brubeck en jazz, bovendien zou ik er geen geld voor hebben gehad. Pas in 1962 ontdekte ik Brubeck toen Take Five in de hitparade belandde. Maar dat was nog ver weg, terug naar 1958. Het kwartet dat toen optrad was, was het kwartet dat de geschiedenis zou ingaan als het ‘klassieke Dave Brubeck Quartet” Eugene Wright was eind 1957 toegetreden tot het kwartet en verving inderdaad Norman Bates. Later dat jaar zou Joe Benjamin tijdelijk invallen omdat Wright nog andere verplichtingen had, maar verder zou het kwartet tot eind 1967 ongewijzigd blijven.
Opvallend aan beide recensies is dat er niets werd gezegd welke titels er gespeeld werden. Echter dankzij de VARA radio en Anton Kop is een deel van het eerste concert van het Dave Brubeck in Nederland voor het nageslacht bewaard gebleven. De VARA zou een directe uitzending van een half uur wijden aan het optreden, uiteindelijk werd het een uur. Anton Kop nam het op band op en zette het later over op cassette en dit werd door mij weer op CD-R overgenomen. De volgende titels werden gespeeld: St. Louis Blues, Two Part Contention*, One Moment Worth Years*, Someday My Prince Will Come, The Duke* en Take The A Train (* composities van Dave Brubeck).
In een terugblik op dit concert schrijft Anton Kop in 2004: “Als we nu de opnamen van het eerste concert van Dave Brubeck in Nederland terugluisteren, horen we eigenlijk een redelijke swingende, zij het overeenkomstig zijn toenmalige imago wat plechtig musicerende combo. Dat was vermoedelijk ook de reden dat het kwartet door de VARA-omroeper uit die tijd weinig minder dan eerbiedig werd aangekondigd.” 5 (Helaas staat de eerbiedige aankondiging door de VARA-omroeper niet op deze opname.)
Ik hoorde deze opname pas eind 2005, dus meer dan 47 jaar later, maar ik heb van dezelfde tournee opnames gehoord van concerten in London, Manchester en Berlijn. Voor een groot deel werden dezelfde titels gespeeld en naar mijn mening swingde Brubeck meer dan redelijk, maar nummers zoals Two Part Contention en One Moment Worth Years lenen zich om te swingen. Bij Two Part Contention is er inderdaad sprake van een plechtstatig musicerend combo, maar dat past wel bij een compositie als deze.
Maar behalve de VARA uitzending is er nog meer materiaal van dit concert bewaard gebleven. In het Nederlands Jazz Archief is een band aanwezig die het eigendom was van Lou van Rees, de organisator van dit concert. Ik heb de bandopname beluisterd en het blijkt dat deze slechts een kleine 23 minuten duurt en twee titels bevat die niet tijdens de radio-uitzending te horen waren. De eerste titel begint middenin een solo van Paul Desmond. Helaas heb ik de titel niet kunnen identificeren, maar zeker is dat deze niet in de VARA uitzending was te horen. De tweede titel op de Lou van Rees-band is een feature voor drummer Joe Morello: Watusi Drums. Dit blijkt tevens het slot van het concert te zijn en na dit nummer wordt het concert afgekondigd.
Er zijn nooit opnames verschenen van dit concert. Trouwens van de hele tournee is er nauwelijks iets op plaat gezet. Alleen van het concert in Kopenhagen op 5 maart 1958 is een LP uitgebracht: Dave Brubeck In Europe (Columbia CL 1168 mono/CS 8128 stereo; Fontana 682.031TL mono/885.110TY stereo). Later is deze plaatopname zonder extra titels door Sony in Japan uitgebracht op CD (CBS/Sony 32DP-905; Sony Records SRCS 9529). Verder nam Brubeck op 23 augustus 1958 een plaat op met indrukken van zijn Europese/Aziatisch tournee, die dus heel toepasselijk Jazz Impressions Of Eurasia heette, maar hierop geen impressies van Amsterdam of Nederland. Het zou bijna 4 jaar duren voor er een plaatopname van een concert in Amsterdam (3 december 1962) zou worden gemaakt, maar deze werd pas in 1969 (!) uitgebracht.
Er zouden nog 38 concerten van Brubeck in Nederland volgen. De concerten in de periode van 1959 tot en met 1967 waren allemaal in dezelfde bezetting van 1958, het “klassieke” Dave Brubeck Quartet.
Het concert van 1960 in het Concertgebouw te Amsterdam werd zowel positief als negatief beoordeeld. Eerst de negatieve maar: “Op dit concert hebben wij het klinkklare bewijs gekregen, dat de musiceerwijze van het Dave Brubeck Quartet in de loop der jaren een ‘maniertje’ is geworden. Inderdaad, het was vernuftig musiceren, maar de techniek kreeg hierin de hoofdrol toebedeeld. De ware geestdrift was evenwel ver te zoeken. De grote strijdvraag of de muziek van deze combo werkelijk jazz is, zal ongetwijfeld nog lang ter discussie blijven. Het gepolijste programma van dit befaamde Amerikaanse kwartet werd beheerst, weloverwogen en routineus afgedraaid. De grote figuren in dit optreden waren pianist Brubeck zelf (kamermuziek in concertvorm) en de technisch uitstekende drummer Joe Morello. Altist Paul Desmond en bassist Gene Wright kwamen onbegrijpelijker wijs nauwelijks in het stuk voor.” 6
In De Zaanlander werd het Dave Brubeck Quartet duidelijk positief beoordeeld: “De overgebleven tijd na de pauze was voor het Dave Brubeck Quartet. Het was duidelijk, dat het grootste deel van het publiek voor deze combinatie naar het Concertgebouw was gekomen. In een oogwenk hadden Brubeck, Desmond, Morello en Wright de zaal aan hun voeten. De homogeniteit in de groep schijnt nog steeds groter te worden en heeft nu welhaast de absolute perfectie bereikt. Het hoofdbestanddeel van Brubecks optreden werd gevormd door stukken van polyritmische aard. Het over elkaar heen leggen van verschillende maatsoorten, zoals 9/8, 6/8 en 3/4 over 4/4, wordt meer en meer een specialiteit van de heren. Maar ook de meer ”conventionele” stukken als Swannee River en Take The A Train stonden op het programma. Bassist Gene Wright speelde een voortreffelijke bassolo — met fijnzinnige ritmische steun van Joe Morello — in Ol’ Man River. Desmond was o.i. minder briljant dan in het optreden van vorig jaar september. Hij scheen minder geïnspireerd dan normaal. Ondanks dat toonde hij zich op overtuigende wijze het grootmeesterschap van zijn kunnen. Leider Brubeck was zeer goed op dreef. Opnieuw bewees hij in verschillende soli het voze van de bewering: “Brubeck swingt niet.”
En lest best was daar dan Joe Morello. Joe Morello wordt tegenwoordig ook in Amerika vrij algemeen beschouwd als de meest perfecte aller slagwerkers. Zijn techniek is onbegrensd; zijn smaak feilloos en zijn gevoel voor swing een voorbeeld voor alle anderen. Neem daarbij zijn volkomen ingetogen gevoel voor humor en u kunt zich voorstellen, dat zijn solo van bijna een kwartier niet ontaardde in een zinloos machinegeweervuur maar werd tot een muzikaal evenement, waarin hij zijn indrukwekkend arsenaal aan techniek ten dienste stelde aan zijn artistiek meesterschap.” 7
Ten slotte Anton Kop over het concert van 3 april 1960, of waren het concerten? In zijn Rhythme recensie heeft hij het over concerten in Den Haag (Kurhaus) en Amsterdam (Concertgebouw). 8 Ik heb verder nergens informatie kunnen vinden met betrekking tot het concert in Den Haag. Ook in het boek One Night Stand van Jaap van de Klomp 9 wordt alleen het Amsterdamse concert vermeld. Maar Kop haalt het Haagse concert verscheidene malen aan in zijn recensie en het lijkt erop dat hij beide heeft bezocht. In ieder geval is zijn recensie positief van toon: “Als wij zeggen, dat het optreden van het Dave Brubeck Quartet in Den Haag en Amsterdam op 3 april jl. een artistiek sukses was, dan geeft dat ongeveer 50% van de volledige waarheid weer. Want de beide konserten waren oneindig veel meer dan dat en wij aarzelen niet, ze een belevenis van de allereerste orde te noemen. Dave Brubeck en Paul Desmond behoren tot de meest grandioze improvisatoren, die wij ons herinneren ooit op een jazzkonsert in ons land gezien te hebben en in vele opzichten staan zij zelfs onbedreigd aan de top diergenen.
Brubeck en Desmond hebben ons zonder meer verbijsterd door de wijze waarop zij de paradepaardjes van hun repertoire a l’improviste volledig vernieuwden. De meeste nummers die door het Quartet gebracht werden, waren immers ontleend aan enkele der talloze LP’s, die van Brubeck en de zijnen inmiddels in ons land verschenen zijn. Maar hoe ànders waren deze uitvoeringen in het Kurhaus en het Concertgebouw! Noot voor noot verschilden zij van de bekende platen-versies en waar dit op zichzelf nog voor de hand liggend moge zijn, méér was, dat de nieuwe uitvoeringen artistiek volkomen gelijkwaardig waren aan die van de ons vertrouwde LP’ s. Wij hebben jazzmusici gehoord, die suksesvolle platen-chorussen tijdens een konsert min of meer trachtten te kopiëren, maar Desmond en Brubeck hebben dat kennelijk niet van node. Als zij in de juiste stemming zijn, lijken zij niet anders dan hoogtepunten te kunnen produceren.
Een voorbeeld van het bovenstaande vonden wij vooral in These Foolish Things. De solo, die Paul Desmond in dit nummer op de LP Jazz Goes To Junior College blaast, behoort tot de beste van zijn oeuvre. Welnu, tijdens de konserten was Desmond’s solo in dit nummer volkomen verschillend, van struktuur en ook van stemming. Maar niettemin was zijn prestatie equivalent aan de plaatuitvoering als we de verbeeldingskracht, de overtuiging en de pure schoonheid vergelijken.
Brubeck zelf was weinig subtiel in zijn spel, iets wat hij op platensessions zonder publiek tegenwoordig meestal wel is. Maar ook nu weer waren zijn inventieve kracht, zijn melodische vindingrijkheid en zijn komplete overgave boven elke kritiek verheven. In Brandenburg Gate bekoorde hij ons uitermate, in St. Louis Blues minder. Joe Morello en Gene Wright vormen naar onze mening de ideale ritmesektie en zeker de beste die Brubeck ooit had, maar Morello’s minuten lange drum-feature kon ons toch slechts even boeien”.
Er volgden nog 7 concerten van het klassieke Dave Brubeck Quartet totdat eind 1967 Dave Brubeck het kwartet ontbond. Vanaf 1961 wordt de toon van de recensies steeds negatiever. Hebben de critici het wel gehad met Brubeck? Het publiek in ieder geval nog niet want dat komt in groten getale en de concerten zijn steevast uitverkocht. Ook ik heb Brubeck ‘ontdekt’. De aanleiding is, hoe kan het ook anders, de tophit Take Five die in januari 1962 doordringt in de hitparade. Het blijft 7 maanden genoteerd en de hoogste bereikte positie is nummer 9. Ook wordt Take Five gedraaid in het TV programma Top Of Flop van Herman Stok. Van het publiek mag het een top worden. Op 27 december 1969 keert Take Five terug in de hitparade, maar komt niet verder dan de 15de plaats en verdwijnt na 6 weken uit de hitlijsten. 10
Waarschijnlijk is het commerciële succes mede oorzaak dat de critici zich kritischer uitlaten over het Dave Brubeck Quartet. Enkele citaten uit de koppen: Dave Brubeck Kwartet: Salon muziek in jazz verpakking 11, Dave Brubeck stelt teleur 12, Dave Brubeck: kitsch en banale clichés - Vervelende liedjes uit een musical 13, Dave Brubeck Quartet bracht niets verrassends 14, Take Fake. 15
Tussen al die negatieve geluiden was er ook nog wel wat positiefs te horen. In een vooraankondiging van het nachtconcert in het City Theater te Amsterdam op 10 november 1961 wordt Dave Brubeck ‘een pianist van groot formaat’ genoemd. 16
De kop boven het artikel van Harry Rodenburg in de Volkskrant luidt: Dave Brubeck-kwartet meer geraffineerd. Het gaat hier om het concert van 3 december 1962. Roodenburg schrijft verder: “Geheel onverwacht heeft het Dave Brubeck kwartet maandagnacht in het Amsterdamse Concertgebouw geconcerteerd. Het is het enige concert dit seizoen van Brubeck op het vasteland van Europa. De zaal was, in aanmerking genomen, dat het concert plotseling werd ingelast, vrij goed bezet. Brubeck begon zijn programma met de evergreen Saint Louis Blues, waarna nog enkele standaardnummers volgden, zoals Take The A Train. In de uitvoeringen was genoeg ruimte gelaten het publiek te laten weten, dat er weliswaar een bijzonder homogeen kwartet optrad, maar dat het stuk voor stuk ook buitengewone solisten zijn. De Zuidamerikaans getinte muziek voor een Bossa Nova is ook tot Brubeck doorgedrongen. Het kwartet gaf er evenwel een scherper geslepen jazz-kantje aan. Bepaald opmerkelijk was dat Brubeck zich ditmaal niet verloor in het experimentele met de maatindeling, maar zich vooral richtte op de jazz in de vier-kwartsmaat. Altist Paul Desmond is nog steeds een meditator achter zijn instrument, die elke noot als het ware geestelijk verwerkt. Samenvattend kan worden gezegd, dat de Brubeck concerten van enkele jaren geleden als spiegel hebben gediend voor dit optreden. Alleen dit concert was rijper en werd met meer raffinementjes gelardeerd.” 17
Er bestaan een aantal onduidelijkheden m.b.t. dit concert. Volgens de ene recensie is de zaal uitstekend bezet 12 en volgens een andere zou de zaal maar halfvol zijn geweest. 13 Rodenburg heeft het over een ‘plotseling ingelast concert’. Op de hoes van de lp Brubeck In Amsterdam zegt de pianist dat het oorspronkelijk geplande concert wegens de dood van Prinses Wilhelmina (Brubeck noemt haar abusievelijk ‘Queen’) werd verplaatst nadat de officiële rouwperiode was beëindigd. Dit bevreemdt mij zeer, want Prinses Wilhelmina overleed op 28 november 1962 en werd pas bijgezet op 8 december 1962, dus na het concert. Ik heb helaas de datum van het oorspronkelijke concert niet kunnen achterhalen. Verder is het vreemd dat het meer dan 6 jaar moest duren voordat het concert op plaat verscheen. In zijn hoestekst schrijft Brubeck: “The Quartets concert in Amsterdam had gone down in my memory as a happy experience. I knew CBS had recorded it, but the tapes had gone into the vaults and had subsequently been almost forgotten. Paul would occasionally ask: ‘What happened to the tapes of that good concert in Amsterdam?’ We were recording so many albums in those days, it was hard to keep track. When I recently rediscovered and played the tapes, the circumstances of the recording came back to me. Our original concert in Amsterdam had been cancelled because Holland was in mourning after the death of Queen Wilhelmina. The only time our concert could be rescheduled while we were in Europe was to a midnight concert, beginning the moment the official mourning period ended. I was skeptical. ‘Sunday midnight? Who’s going to come to a concert when he has to go to work early the next morning? Nobody will show up!’ The Dutch promoter assured me, “They’ll come.” And they did. I’ve always said that the audience was the fifth member of the Quartet — the unknown ingredient whose presence can tip the balance from just another concert to an experience that’s unique. The tone of this particular audience at the Concertgebouw acted as a catalyst that caused each of us to react; and as we reacted they responded, creating a spiraling effect of tension and release. I think the musical experience has meaning for more than just those of us who happened to be at the Concertgebouw past midnight. At least, that’s why, after being kept under wraps for almost six years, this album is now being released.”
De plaat werd in 1969 uitgebracht onder de titel Brubeck In Amsterdam: CBS S 7-63789 (Europa), Columbia CS 9897 (USA) en Columbia SONP 50247 (Japan). Hierop stonden de titels: Since Love Had Its Way, The Real Ambassador, Dizzy Ditty, Good Reviews, King For A Day, They Say I Look Like God, Cultural Exchange en Brandenburg Gate. Een aantal van deze titels zijn afkomstig van de ‘musical’ The Real Ambassadors, door Michiel de Ruyter in zijn recensie ‘Vervelende liedjes uit een musical’ genoemd.’ 13
Verder werd in Europa nog een EP (CBS EPCG 285.553) uitgebracht met daarop Bossa Nova USA en Take The A Train. Al deze opnames zijn nooit op CD verschenen. Slechts 1 titel (Take The A Train) werd uitgebracht op de compilatie CD The Great Concerts - Amsterdam, Copenhagen, Carnegie Hall, CBS Jazz Masterpieces 462.403-2 (Europa) en Columbia Jazz Masterpieces CK-44215 (USA). In het CD boekje wordt abusievelijk 3 december 1963 als datum van het concert genoemd. Verder werd de titel The Real Ambassador die op deze CD staat ook toegeschreven aan het Amsterdamse concert (met ook de foutieve datum). Behalve het tijdsverschil (de titel op de CD duurt ruim een halve minuut langer) is er ook een groot verschil in de uitvoering. Daar het zeer onwaarschijnlijk is dat Brubeck tijdens een concert 2 versies van een stuk speelt, moet de CD versie van The Real Ambassador van een ander concert afkomstig zijn.
Het eerste concert van Brubeck dat ik bezocht was in 1966 in de Doelen in Rotterdam. Het is tevens het eerste van een serie concerten in het kader van het Newport Jazz Festival In Europe in Nederland. Frank Visser besteedde in Jazzwereld aandacht aan dit concert, maar hij kon er echter niet voor warmlopen. 18 Gelukkig het publiek wel en ik ook. Helaas zou het Klassieke Dave Brubeck Quartet nog maar twee concerten in Nederland geven. Deze waren niet in het kader van Newport in Rotterdam, maar vonden plaats op 24 en 25 oktober 1967 in respectievelijk Den Haag en Amsterdam (nachtconcert). Pim Jacobs trad tijdens de concerten op als gastheer, maar ik moet tot mijn schande bekennen, dat ik me dat niet meer kan herinneren.
Beide concerten waren georganiseerd door Lou van Rees op initiatief van de “Club Van Vijf”, een kwintet zakenlieden in vlees en vleeswaren. Het initiatief werd door het publiek zeer gewaardeerd, de zalen zaten vrijwel vol en het publiek was enthousiast. Zoals gewoonlijk waren de critici minder te spreken over de prestaties van het Dave Brubeck Quartet. Simon Korteweg schreef in Het Parool: “Het quartet speelde voornamelijk het van platen bekende repertoire: modieuze, lichtelijk pretentieuze, aan jazz verwante amusementsmuziek. Leider Brubeck en altist Paul Desmond leken na zestien jaar samenwerkingwel op elkaar uitgekeken. Werkelijk samenspelen deden zij niet. De enige die enigszins door de routine heen brak, was de zeer muzikale drummer Joe Morello en dat niet zo zeer tijdens zijn bejubelde drumsolo, als wel door zijn gevarieerde en gevatte begeleidingen.” 14
Ronduit beledigend vond ik de recensie van dezelfde criticus in Jazzwereld. 15 Hij vergeleek het kwartet met vermoeide lopende-bandmedewerkers die de vereiste productie trachtten te halen. Ik zal de lezer verdere citaten uit dit stukje besparen.
De recensent van het NRC (boven het artikel stond vermeld “Van onze medewerker voor jazz”, maar de auteur was Ruud Kuyper) betitelde de muziek van het Dave Brubeck Quartet als “typisch Californische muziek, wat oppervlakkig, vol versiering, vaak enigszins sentimenteel.” 19
In Het Vrije Volk verscheen een dag na het concert een wat merkwaardig artikel van een niet bij naam genoemde scribent. Tijdens de pauze van het concert is hij in gesprek geweest met Brubeck in de aanwezigheid van de Engelse impresario Douglas Tobutt. Brubeck zou nogal opgewonden hebben gereageerd op vragen over het uiteengaan van het kwartet. Het artikel opent met de uitspraak van Brubeck: ‘Als ik werkelijk agressief word, smijt ik je het raam uit’. Andere citaten van Brubeck uit het gesprek zijn: ‘Zijn we uitgeteld? Brengen we niets nieuws meer? Hebben we het contact met het hedendaagse jazzpubliek verloren? Onzin, allemaal niets van waar. Kijk maar naar de twee uitverkochte zalen in Nederland. Ik kan nog jaren doorgaan met dit kwartet, eventueel in een andere samenstelling’. ‘Je kunt zeggen dat onze muziek voorbij is, niet meer actueel is, O.K., dat kun je vinden. Maar niet dat we niets nieuws hebben gedaan.’ Het gesprek zou door een tweede, niet met name genoemde, bezoeker een steeds onaangenamer karakter hebben gekregen en Brubeck zou hierdoor bijzonder nerveus zijn geworden. In het artikel wordt echter niet vermeld waardoor dit veroorzaakt werd. Als Brubeck gehaald wordt voor het tweede deel van het concert wil hij aanvankelijk het podium niet op. Vervolgens ontstaat er een misverstaand als iemand tegen hem zegt dat het concert door ‘butchers’ (Amerikaans slang voor ‘gangsters’) is georganiseerd, vat hij dat meteen verkeerd op. Uiteindelijk verschijnt het kwartet na al deze commotie toch op het podium. 20
Verder wordt in het artikel nogal de nadruk gelegd op het commerciële succes van Brubeck: “Brubeck ontving voor zijn 2 concerten in Nederland 36.000 gulden” en “Het commerciële succes van zijn kwartet (dat hem o.a. een huis van 300.000 dollar in Connecticut opleverde) heeft hem voortgejaagd op een weg, die hem steeds minder voldoening opleverde”.
De titel van het artikel is een andere uitspraak van Brubeck: Volgend jaar kom ik naar Nederland met een oratorium. Maar dit zou pas in 1969 gebeuren.
In de jaren 1968, 1970 en 1972 komt Brubeck met een nieuwe formatie naar het Newport Festival in Rotterdam.
Brubeck had eind 1967 het klassieke kwartet ontbonden om meer tijd te hebben voor zijn gezin en om aan zijn oratorium te werken. Ook zou hij het vele reizen beu zijn, maar zijn rust duurde niet lang. De concertorganisator George Wein wist Brubeck te strikken voor een jazz festival in Mexico. Hij speelde daar met Gerry Mulligan (bariton sax), Jack Six (bas) en Alan Dawson (drums). De formatie werd aangekondigd als het Dave Brubeck trio featuring Gerry Mulligan. Het succes in Mexico was groot, er verscheen zelfs een LP van dit concert. En daarna ging Brubeck weer gewoon door met reizen en optreden op de jazz podia. In 1968 en 1970 was het Trio met Mulligan van de partij op het Newport Jazz Festival in Europe in de Rotterdamse Doelen. Ook in 1972 waren ze er weer en keerde Desmond terug bij Brubeck en stond er een kwintet op het podium. Brubeck en Desmond weer herenigd, alles was voor een groot deel weer bij het oude, volle zalen, enthousiast publiek en mopperende critici. Niet alleen Brubeck kreeg er van langs, er was ook veel kritiek op het festival als geheel: Oude Wein, Oude zakken 21, Newport Jazz Festival: Die goeie ouwe tijd 22, Veel dieptepunten in Newport Jazzfestival 23, Newport jazz: Flop van de grote namen 24, De inflatie van de jazzmuziek 25, Juichen voor oude sterren 26, Newport Jazz Festival 1972 gigantische artistieke flop 27, Newport in Rotterdam: de grote verveler 28.
Van het concert van 1972 zijn 2 titels op de Atlantic LP We’re All Together For The First Time verschenen: Rotterdam Blues en Sweet Georgia Brown. De overige titels op de LP zijn afkomstig van concerten die tijdens dezelfde tournee in Parijs en Berlijn werden gegeven.
Eind 1967 had Brubeck het klassieke kwartet ontbonden en tijdens het laatste concert met dit kwartet in Nederland had hij beloofd in 1968 naar ons land te komen met zijn oratorium The Light In The Wilderness. Het werd uiteindelijk 30 mei 1969. Met hem kwamen het Cincinnati Orchestra, dirigent Erich Kunzel, The Miami University Chorus, Robert Hale (bariton) en Gerre Hancock (orgel). Dave Brubeck deed de geïmpro-viseerde (jazz) gedeeltes samen met leden van het Symphony Jazz Quintet.
Volgens een recensie in de Haagse Post was het oratorium teleurstellend: “Brubeck bleek in de klassieke stijl niet méér te kunnen opbrengen dan een slaafse Orff-navolging en een slap Britten-epigonisme, waartegen de “eigenlijke” (schaars voorkomende) Brubeck-episoden dwaas afstaken behoudens misschien de enkele plaatsen waar de jazz-combo ongeveer de functie vervulde van het slagwerk bij Orff, maar dan was de hele jazzcombo per definitie overbodig.” 29
Meer waardering was er voor de uitvoering: “De uitvoering onder leiding van Erich Kunzel deed alle recht aan de partituur. Bijzonder fraai zelfs klonk het volumineuze geluid van de bariton Robert Hale. Het koor van de universiteit te Miami beheerste zijn partij eveneens grondig en Brubeck improviseerde geïnspireerd.”
Zelf heb ik niets met oratoria, maar ik was nieuwsgierig en ging er dus toch naar toe. Ik kan niet zeggen dat ik teleurgesteld was, maar ik ging ook niet helemaal tevreden naar huis. Het hoogtepunt voor mij van het concert was het openingsstuk de Ouverture Candide van Leonard Bernstein. Het versterkte mijn belangstelling en waardering die ik voor Bernstein al had na West Side Story in belangrijke mate.
Voor zover ik weet is dit de enige keer dat een ‘klassieke’ compositie van Brubeck in Nederland is uitgevoerd. Behalve The Light In The Wilderness, worden een aantal van zijn composities zoals To Hope! A Celebration en La Fiesta De La Posada regelmatig uitgevoerd, niet alleen in Amerika, maar ook in landen als Engeland, Duitsland en Oostenrijk.
In 1974 kwam Brubeck weer naar Rotterdam, maar nu weer met een heel andere samenstelling. Geen Mulligan en Desmond dit keer, maar een formatie genoemd Two Generations Of Brubeck. De basis van de formatie was Dave Brubeck (piano) en zijn zoons Darius (elektrische piano en orgel), Chris (elektrische bas en trombone) en Danny (drums). De groep werd aangevuld met Jerry Bergonzi (saxofoon), Perry Robinson (klarinet), Pete Madcat Ruth (harmonica) en Randy Powell (slagwerk). Het was voor veel Brubeck liefhebbers wel even slikken en voor mij ook. Door allerlei omstandigheden heb ik de Two Generations groepen nooit live gehoord. Wel heb ik de plaatopnames en een aantal radio en TV opnames gehoord. Ik heb nooit kunnen wennen aan deze groep, vooral de elektrische bas vond ik een verschrikking. Naar mijn smaak paste die totaal niet bij Brubeck. Het leek meer op een soort onderaards gerommel en ik hoorde Chris veel liever de trombone bespelen.
Toch bleek er een enthousiast publiek te zijn voor deze groep. Recensenten Frans Boelen en Menno Schenke voelden hun enthousiasme goed aan, maar of ze zelf óók zo enthousiast waren…?
Frans Boelen: “Ronduit verfrissend was de musiceervreugde die er van het begaafde gezinnetje uitging: alle ergernissen en de routine en spanningsloze quasi-improvisaties van vorige concerten met de heren Desmond en Mulligan hadden plaats gemaakt voor spontaan en geïnspireerd muziekmaken waarbij niet op stijlen en richtingen werd gelet. Hoogstaand was het vrijwel nooit maar amuserend en ontspannen daarentegen volop. (…) En vader Brubeck? Hij speelde met meer enthousiasme en overgave dan ik al die jaren van hem heb gezien en hij zorgde aldus voor een zeer aantrekkelijk feestje waarbij het gebrek aan diepte ruimschoots door sfeer en spontaniteit werd vergoed.” 30
Menno Schenke: “Zaterdag trad Dave Brubeck op met zijn zonen. Ter ondersteuning liepen overigens nog vier andere, zeer jonge en vrolijke musici het podium op, zodat de indruk werd gewekt dat ‘Vader Brubeck en zijn Zeven Goede Zonen’ een avond pret zouden verzorgen. Die pret kwam er inderdaad. De groep werkte met een enorm enthousiasme. De avant garde jazz werd geparodieerd, oude hits als Take Five en Blue Rondo a la Turk werden op totaal nieuwe, maar niet altijd zo leuke manier gebracht en het publiek werd met een tetterend When The Saints de nacht weer ingestuurd. Dave Brubeck bleef gedurende het hele concert lachen, maar het is duidelijk dat hij het allemaal niet meer begreep.” 31
Waarom deze laatste sneer? Schenke zet Brubeck hiermee neer als een seniele oude man. Ik denk als Brubeck dit geweten had hij gezegd zou hebben: “Ik geloof niet dat Menno Schenke het allemaal goed begrepen heeft”.
Ook pianist Rob Hoeke woonde het concert bij en sprak met Dave Brubeck: “Hoewel Brubeck en de zijnen verrassend goed uit de muzikale verf kwamen, riep één en ander toch vragen bij mij op, waar ik graag antwoord op wilde hebben.
‘t Soort muziek dat u speelt is wel wat anders dan ik normaal van u gewend ben. Dave Brubeck (letterlijk): ,,Ik wordt doodziek van dat ge-o.h. (Ik ben benieuwd wat Brubeck werkelijk zei, want hij staat niet direct bekend om grof taalgebruik. HK), want iedereen denkt direct aan commerciële aanpassing en dergelijke, omdat ik toevallig 54 jaar ben, met lange grijze haren rondloop, van mijn oude reputatie afhankelijk zou zijn en mijn zonen aan het pousseren ben. Nou, vergeet dat maar; toevallig is dat niet zo en ik heb ook geen zin je dat allemaal uit te leggen, want de ervaring heeft geleerd dat iedere uitspraak die ik doe, anders geïnterpreteerd wordt dan ik bedoelde en (slechts) alleen op zijn juiste waarde geschat wordt door musici, maar die schrijven niet en journalisten musiceren niet”.
Als ik dan beledigd opmerk, dat ik zijdelings wel degelijk iets met de muziek te maken heb en mij zelfs zeer verwant voel aan pianomuziek, moet ik dat onmiddellijk bewijzen. Ik doe dat met knikkende vingers en tracht te overtuigen. Zoon Darius knikt vervolgens naar zijn vader en zegt: ,,It’s all right, pa”, en Dave Brubeck verandert op slag. Hij is bereid als musicus te praten en als toffe jongens onder elkaar vraag ik hem, waarom hij blues speelt die tegen de pop aanleunt en of hij ook werkelijk achter de muziek staat die hij onder de naam van Two Generations of Brubeck maakt. Brubeck: ,,Natuurlijk doe ik dat, per saldo is de blues de meest elementaire vorm van muziek maken en heeft iedere jazzmusicus van daaruit zijn eigen identiteit gevormd. Dat ze dat later ontkennen en zelfs beweren geen enkele verwantschap met de blues te hebben is een grove leugen. Het is net zoiets als een schrijver die beweert het ABC niet te kennen. De jazz-blues combinatie is iets, wat ik altijd gepropageerd heb, alleen was het niet altijd mogelijk als zodanig te spelen, omdat je voor het grote publiek toch altijd die pianist bent, die vast zit aan het Take Five image, eens een wereldhit”.
Staat u daar dan niet achter? Brubeck: ,,In principe wel, maar het is een nummer, dat naar mijn idee tot een van die vele muzikale lolletjes behoort, die musici nu eenmaal altijd maken. Blijkt zo’n nummer dan een toevalstreffer te zijn, dan wil dat nog helemaal niet zeggen dat je daar gelukkig mee bent, maar het bepaalt toch wel je image. Het publiek verwacht dan zo’n nummer, waar ik altijd aan voldoe en het geeft me tevens de gelegenheid dat soort muziek te maken waar ik wel volledig achter sta.” Ik ben het volkomen met hem eens. Hij stapt op en gaat spelen.” 32
Op 10 juni 1975 speelt Brubeck weer op Nederlandse bodem, maar dit keer varend op de ss Rotterdam. Het Dave Brubeck Quartet bestaat weer zoals het jaar daarvoor uit zijn zoons Darius Brubeck (el-p), Chris Brubeck (el-b, trombone) en Danny Brubeck (drums), maar ook Paul Desmond is weer van de partij. Behalve met het kwartet speelt Desmond een aantal duetten met Brubeck. Één daarvan, You Go To My Head, staat op de A&M/Horizon LP/CD: Brubeck & Desmond 1975 - The Duets. Een tweede duet, Between The Devil And The Deep Blue Sea, is onderdeel van een TV documentaire van de BBC. Verder bevat de documentaire een kort interview met Brubeck, ook Desmond zegt nog een paar woorden en het kwartet speelt samen met Paul Desmond Take Five en Someday My Prince Will Come. Zelf heb ik deze documentaire nooit volledig gezien en voor zover ik weet is deze nooit op de Nederlandse TV uitgezonden. Wel heb ik het tweede duet en het interview op een DVD van zeer slechte beeldkwaliteit en de volledige “soundtrack” op CD. Volgens de voice over op de CD speelde Brubeck voor een Indonesisch publiek.
Blijkbaar was het concert van de formatie Two Generations Of Brubeck in Nederland niet zo’n groot succes. Voor het eerst waren er twee achtereenvolgende Brubeck-loze jaren.
Op 31 mei 1977 was Paul Desmond overleden en betekende dit dus het definitieve einde van het tijdperk Brubeck-Desmond en was 1972 het laatste jaar dat Desmond in Nederland had opgetreden.
In 1977 kwam Brubeck weer terug naar ons land om op te treden tijdens het tweede North Sea Jazz Festival. Niet als grote publiekstrekker in de Prins Willem Alexander zaal, maar in de in het souterrain gelegen Carrousel zaal. Geen grote formatie meer zoals in 1974, maar alleen nog met de basis daarvan onder de naam New Dave Brubeck Quartet. Brubeck zou nog wel met grotere formaties in Europa optreden, maar in Nederland kwam hij voornamelijk met zijn kwartet. Het kwartet wisselde in de loop van de jaren nogal van samenstelling.
Op het NSJF van 1979 trad Brubeck op met een kwartet (nu weer gewoon als The Dave Brubeck Quartet) bestaande uit Jerry Bergonzi (tenor sax), Chris Brubeck (elektrische bas en trombone) en Randy Jones (drums). Chris Brubeck en Jerry Bergonzi waren al eerder met Brubeck in Nederland, maar voor drummer Randy Jones was dit het eerste keer. Jones is nog steeds de vaste drummer van het Dave Brubeck Quartet. Volgens Wynold Verwey was het “een sober en gevoelig concert. Een uiterst sfeervolle presentatie, hoewel Brubeck beter tot zijn recht zou komen in een besloten club”. 33
Voor de tweede keer is er periode van 3 jaar waarin Brubeck Nederland niet aandoet. In 1982 is het Dave Brubeck Quartet weer present op het NSJF. De enige wijziging t.o.v. 1979 is Bill Smith op klarinet, die Bergonzi vervangt. Hoewel de samenwerking van Brubeck en Smith al dateert vanaf de studietijd van Brubeck bij Milhaud in de tweede helft van de jaren 40, is dit de eerste keer dat Bill Smith met Brubeck in Nederland te horen is.
Negen dagen na het concert op het NSJF van 1982 is het kwartet onverwacht weer terug in Nederland om op te treden tijdens het Loosdrecht Jazz Festival op 27 juli 1982. Voor die dag stond Stan Getz geprogrammeerd, maar hij kon door ziekte niet optreden. Dave Brubeck was nog in België en werd teruggehaald om de opengevallen plaats in te nemen.
In 1983 en 1984 (NSJF) is het kwartet in ongewijzigde samenstellingen weer te horen. In 1983 is er zelfs sprake van een minitournee van 3 concerten binnen 4 dagen. Op 21 april is het kwartet in De Flint te Amersfoort. Een deel van het concert werd rechtstreeks uitgezonden door de TROS in het radioprogramma Sesjun. De andere twee concerten zijn op 22 april in het Concertgebouw van Hengelo en op 24 april tijdens het jazz festival Jazz In West in de Meervaart te Amsterdam.
Na het NSJF van 1984 is er nogmaals een onderbreking van 3 jaar in de optredens van Brubeck in Nederland. Op 15 oktober 1987 treedt hij op in het Circus Gebouw in Scheveningen. Het kwartet is weer gewijzigd: Bill Smith is vervangen door altsaxofonist/fluitist Bobby Militello en bassist Gene Wright keert nog éénmaal terug. Militello was al eerder ingevallen voor Bill Smith, maar dit is de eerste keer dat hij optreedt met Brubeck in Nederland. Het is de bedoeling dat Militello toetreedt tot het kwartet, maar dat zal pas in 1995 gebeuren omdat Militello nog andere verplichtingen heeft.
Er gaan weer 3 jaar voorbij voordat Brubeck in Nederland is. In het jaar dat hij zijn 70ste verjaardag viert, geeft hij 6 concerten! Het eerste concert is op 13 juli 1990 op het North Sea Jazz Festival in Den Haag. Het kwartet is weer gewijzigd. Bill Smith is weer van de partij en ook bassist Jack Six is na een onderbreking van 16 jaar in 1988 teruggekeerd. Maar er is nog meer aan de hand: Carmen McRae treedt op als gastsolist. Het is de eerste keer dat Brubeck in Nederland met een vocalist optreed.
In november 1990 volgde een tournee door Nederland als voorproefje op Brubecks 70ste verjaardag op 6 december. Op 12, 13, 15, 16 en 17 november werden vijf concerten gegeven, 4 daarvan waren met het Metropole Orkest onder leiding van Russell Gloyd, Brubecks vaste begeleider en manager. Alleen het concert in Sittard op 13 november was zonder het Metropole Orkest. Van het concert in De Doelen in Rotterdam op 15 november werden radio opnames gemaakt die door de AVRO op de radio werden uitgezonden. Hieraan voorafgaand werd nog een muzikaal portret van Brubeck uitgezonden.
In 1992 kwam Brubeck naar het 3e International Jazz Festival Jazz Mecca in Maastricht. Na 18 jaar was er weer een ‘familie concert’ in Nederland, dat zich afspeelde op de openingsavond van het festival. Het concert nam de hele avond in beslag en werd in het programma aangekondigd als GRAND OPENING: DAVE BRUBECK FAMILY PROJECT. De avond werd geopend met de groep The Dolphins van Danny Brubeck, met Danny op drums, Vinnie Martucci (keyboards), Mike DeMicco (gitaar) en Rob Leon (bas). Daarna volgende het duo Matthew Brubeck (cello) en David Widelock (gitaar). Vervolgens was de beurt aan het Brubeck Family Quartet, bestaande uit Matthew Brubeck (cello), Chris Brubeck (elektrische bas & trombone) en Danny Brubeck (drums). Na de pauze volgde het Dave Brubeck Quartet in dezelfde samenstelling als in 1990: Dave Brubeck (piano), Bill Smith (klarinet), Jack Six (bas) en Randy Jones (drums). De avond werd afgesloten met een Grand Finale: een samenspel van alle musici die deze avond hadden opgetreden.
Het Dave Brubeck Quartet kwam in 1994 nog een keer naar Nederland in de samenstelling van 1990 en 1992 voor een optreden in Musis Sacrum in Arnhem. Erg veel waardering van de plaatselijke pers was er niet: Brubeck zonder het helige vuur (Hans Lehr, Gelders Dagblad) 34 en Brubeck brengt icoon tot leven (John van Merriënboer, De Gelderlander) 35.
In 1995 breekt er een nieuw tijdperk aan in de geschiedenis van het Dave Brubeck Quartet. Nadat Bobby Militello al eens eerder met Brubeck had gespeeld is hij nu definitief toegetreden tot het kwartet. Een moeilijke taak ligt er op hem te wachten, hij is de eerste altsaxofonist na Desmond, die in 1977 voor het laatst met Brubeck speelde. Het duurt nog tot 1998 voordat Nederland (hernieuwd) kennis kan maken met de nieuwe blazer. Hoewel velen er een nieuwe Desmond in willen zien is het toch wel duidelijk dat Militello een heel ander geluid heeft en veel steviger speelt dan Desmond ooit gedaan heeft. Een ander verschil is dat Militello als tweede instrument fluit speelt, iets wat Desmond nooit gedaan heeft. Het is een welkome aanvulling en geeft een extra dimensie aan het kwartet. Maar ondanks dit alles zijn de critici niet onverdeeld gelukkig met het nieuwe kwartet. 36, 37, 38 Dit kwartet zal, met uitzondering van wisselingen van bassisten, tot het laatste concert in 2004 in Nederland ongewijzigd blijven. In 1998 wordt Jack Six vervangen door Alec Dankworth, de zoon van bandleider en altsaxofonist Johnny Dankworth. In 2001 verlaat hij Brubeck en treedt Michael Moore toe tot het kwartet.
In 2000 treedt het Dave Brubeck Quartet samen met het kamerorkest Schloss Werneck op met het programma Van Bach tot Brubeck met als ondertitel 80th Anniversary Tour. Brubeck neemt dus al in april een voorschot op zijn 80ste verjaardag, die pas op 6 december plaats vindt.
De media besteedde veel aandacht aan dit concert, zowel ervoor (zelfs in het NOS TV journaal) als erna. 39-48
Het kamerorkest opende de avond met het concert voor twee violen BWV 1043 van J.S. Bach. Daarna was het de beurt aan het Dave Brubeck Quartet. Begonnen werd met W.C. Handy’s Saint Louis Blues, een stuk dat Brubeck vaker gebruikt om te openen. Ook werden een aantal nieuwe composities gespeeld zoals Mississippi Mud en All My Love, opgedragen aan Brubecks vrouw Iola. Na de pauze volgde dan een samenspel van het Dave Brubeck Quartet met het kamerorkest Schloss Werneck onder leiding van Russell Gloyd. Als slotstukken werden, hoe kan het ook anders, Take Five en Blue Rondo A La Turk uitgevoerd.
Het volgende concert van Brubeck in Nederland is in 2002, nu weer gewoon met het kwartet. Bijzonder is echter dat het niet in één van de grote zalen plaats vindt in Amsterdam, Rotterdam of Den Haag maar in de schouwburg van het schilderachtige IJsselmeer stadje Hoorn. Geen uitgebreide aandacht in de media dit keer, maar zoals te verwachten was zat de zaal bomvol. In het Noord Hollands Dagblad werd al voorbarig aangekondigd dat Brubeck bezig was aan zijn afscheidstournee. 49
Lovende kritieken dit keer, zo schreef Jaap Wijnands: “Hoewel Brubeck oud en stram is, heeft zijn spel nog niets aan kracht ingeboet. Soms met een fluisterzacht toucher, dan weer met fors volgrepig spel bracht hij in het programma voor de pauze zijn recente werk, bijgestaan door een kwartet dat het klappen van de zweep kent: Bobby Militello met een fabelachtige techniek op altsax en een betoverende fluit. Michael Moore die zijn contrabas, aangestreken met een Franse stokvoering, soms als een cello liet zingen en dan weer het publiek verbaasde met dubbel en soms driedubbel geplukt spel, maar vóór alles voor een stuwende ondergrond zorgde. En tenslotte drummer Randy Jones die voor een perfecte ritmische basis zorgde en de zaal met zijn solo’s in vervoering wist te brengen. 49
Koen Schouten in de Volkskrant: “Het werd een plezierige avond met lekker ouderwetse swing. En natuurlijk kwam Take Five voorbij. Maar wat maakt Dave Brubeck eigenlijk een hippe muziek! Het hoogtepunt van de avond was niet de onvermijdelijke hit, niet de bekende kraker Take The A Train en evenmin de blije swing van On The Sunny Side of The Street. Echt goed was The Crossing van de gelijknamige cd dat Brubeck twee jaar geleden schreef. Het vele recente werk dat Brubeck speelde, klonk duidelijk krachtiger en vitaler dan het oude werk. Dat kwam voor een deel doordat ze beter op zijn wat stroever geworden lijf geschreven zijn, maar bovenal doordat het ijzersterke composities zijn. De polytonaliteit waarvoor Brubeck in zijn jonge jaren academisme werd verweten, is tegenwoordig helemaal in. Vooruitstrevende saxofonisten als Michael Brecker, Joe Lovano en Chris Potter passen het voortdurend toe in hun solo’s. Vergeleken met de natuurlijke en terloopse manier waarop Brubeck het zondag in de Hoornse schouwburg gebruikte, zijn zij droge studeerkamergeleerden. Zonder aan toegankelijkheid in te leveren, speelde de pianist ingenieuze doorwerkingen en gewaagde voicings. Daarbij hielp het dat Brubecks musici een heldere basis legden die geen twijfel liet bestaan over de richting van de muziek. De altsaxofonist Bobby Militello en de drummer Randy Jones spelen al jaren met Brubeck en bassist Michael Moore is een oude bekende. De grote vraag bij elke band van Brubeck is natuurlijk: wordt de vijfentwintig jaar geleden overleden saxofonist Paul Desmond niet te zeer gemist? Wie wel eens een Brubeck-cd uit de afgelopen tien jaar heeft gehoord, weet het antwoord: Militello is een perfecte opvolger van de geliefde saxofonist. Zijn geluid lijkt op dat van Desmond zonder een imitatie te zijn. Met zijn smaakvol geplaatste growls (scheurgeluiden) en zijn opzwepende timing trok Militello de andere grijze heren-in-smoking met zich mee. De band ging af en toe flink tekeer. Dat Brubeck geen ouwe-lullenmuziek maakt, bleek trouwens ook uit de handtekeningenjagers die na hat concert bij de artiesteningang stonden. Ze waren amper twintig.” 50
Het jaar daarop is het de beurt aan een ander kleine theater in Nederland om een concert te organiseren met het Dave Brubeck Quartet. Dit keer vindt het plaats in Zuid Limburg in Theater Heerlen op 10 november 2003. Gemakshalve laat The Dave Brubeck Quartet Newsletter Heerlen in Duitsland liggen. Het staat geprogrammeerd tussen Mainz (8 november) en Essen (11 november). Verder was de concert flyer in het Duits gesteld.
Ook voor het concert in deze jazzuithoek van Nederland was er weinig media belangstelling. Op mijn zoektocht in de kranten en internet vond ik alleen een recensie in het Limburgs Dagblad. De (anonieme) recensent was minder te spreken dan zijn collega’s een jaar eerder: “Het grote avontuur is nog steeds niet aan hem (Brubeck) besteed, maar hij maakt veel goed met het enthousiasme en de vitaliteit die in zijn hoekige spel worden gelegd. De pianist liet zich van zijn beste kant zien tijdens de ballads, die hem de ruimte boden om zijn klassieke achtergrond te etaleren. De aardigste begeleider was de bescheiden bassist Michael Moore, die met name indruk maakte met zijn gevoelvolle strijkwerk. Saxofonist Bobby Millitello is geen Paul Desmond, maar voldeed. Veruit de zwakste schakel was de vierkant drummende Randy Jones die met name de uptempo-nummers verpestte met een overdaad aan tsjingtsjing. De betekenis van de woorden 'suggestie' en 'subtiliteit' leken aan hem voorbij te zijn gegaan. Het concert werd vanzelfsprekend afgesloten met het destijds door Paul Desmond gecomponeerde, maar onlosmakelijk met Brubeck verbonden Take Five. Daarna kwam het kwartet nog terug voor een wat plichtmatige uitvoering van Take The A Train en nam de meester zelve solo afscheid met een lief wiegeliedje.” 51
Op internet vond ik de ontboezemingen van iemand uit het publiek, Sante Brun schreef: “Bij elkaar anderhalf uur – een dominerende saxofoon, die maar heel af en toe aan Paul Desmond deed denken (met name inderdaad in Take Five) een prachtig spelende bassist, een wat prominent aanwezige drummer. En Dave Brubeck. Daar zat Dave Brubeck, op nauwelijks acht meter voor me. Dave Brubeck! Wie had de schitterende soli willen missen in Lover Come Back to Me en in Swing Low? Voor de rest beperkte Brubeck zich voornamelijk tot ingenieuze intro’s, en zacht gepingelde maar rake voetnoten bij het spel van de anderen. In de soli was hij een jonge god, maar als de anderen speelden zakte hij soms wel erg ver in elkaar – het was een concert waarbij de toeschouwer zich begint af te vragen of de voornaamste solist en naamgever van het kwartet het einde van het concert wel in goede gezondheid zal halen. Tweemaal kwam hij terug voor een toegift – people were being rather cruel – en de tweede keer kwam hij alleen en speelde het wiegelied van Brahms.” 52
En dan 2004, het laatste jaar dat Brubeck in Nederland zal optreden en dat nog wel 2 keer. De eerste keer is op het NSJF. Peter van Brummelen van Het Parool voelde het blijkbaar aan: “in de categorie nu-of-nooit (artiesten die al zo oud zijn dat het er niet echt in zit dat ze ooit nog naar Nederland komen) bood de eerste dag North Sea een optreden van Dave Brubeck. Achter de vleugel zat een broos oud mannetje, dat af en toe zo ver over de toetsen hing, dat je vreesde dat zijn neus ertussen beklemd zou raken, maar muzikaal deed alles het nog. En hij had zowaar fonkelnieuw repertoire te bieden. Maar natuurlijk kon Brubeck niet om Take Five heen, misschien wel het bekendste jazznummer ooit. Hij wist gisteren de indruk te wekken dat hij het nog steeds graag speelt. En dat mag dan geen muzikale verdienste zijn, knap is het wel.” 53
In de recensie van De Telegraaf met als titel Verjongingskuur slaat aan - 29e North Sea Jazz: bomvol met explosieve trends was er ook nog ruimte voor krasse knarren: “Dave Brubeck schuwde in een uitgebalanceerde set zijn bekend klassiekers niet. Rustig maar zelfverzekerd en soms zelfs verrassend vuurde hij zijn kenmerkende, hoekige stukken en rare maatverdelingen op het publiek af om in stijl te eindigen met het tijdloze Take Five.” 54 Dit nummer en London Flat, London Sharp werden samen met een kort interview van Brubeck door Hans Mantèl op TV uitge-zonden. Ook het NJA Bulletin besteedde aandacht aan Brubeck: “Dave Brubeck was één van legendes dit jaar op North Sea Jazz. Hij kreeg nog voordat hij een noot gespeeld had een staande ovatie in een uitverkochte PWA Zaal. Naast standards als On the Sunny Side of the Street speelde hij ook enkele recente composities van hemzelf. Zoals gebruikelijk sloot hij het concert af met de door Paul Desmond geschreven hit Take Five, waarbij de zaal niet meer te houden was.” 55
Het eerste concert van Dave Brubeck in Nederland was met het “klassieke” kwartet in 1958 in het Amsterdamse Concertgebouw. Het laatste concert was ook in het Amsterdamse Concertgebouw en met een kwartet, dat wel het tweede “klassieke” kwartet genoemd kan worden.
Niemand wist nog dat dit het laatste concert van Brubeck in Nederland zou zijn, anders was de media belangstelling waarschijnlijk wel groter geweest. Geen radio en TV opnames, maar de schrijvende pers was wel aanwezig. Jean-Paul Heck gaf een preview in De Telegraaf: Dave Brubeck in Concertgebouw Amsterdam: Altijd voor vernieuwing gegaan. 56 Drie recensies heb ik kunnen vinden in de kranten: Frans van Leeuwen in NRC Handelsblad: “Jazzpianist Dave Brubeck zorgt voor feestvreugde” 57, Maartje den Breejen in Het Parool: “Ja, dát is nou jazz. Heerlijk! Brubeck mist soms een nootje maar zorgt voor onvergetelijke momenten” 58, Armand Serpenti in Trouw: “Brubeck (83) blijft een legende”. 59
Frans van Leeuwen was in zijn recensie niet precies op de hoogte met de feiten. Zo schreef hij dat Brubeck voor de vierde keer optrad in het Amsterdamse Concertgebouw, zij het gespreid over meer dan veertig jaar. Het was echter de achtste keer en om precies te zijn in 46 jaar tijd en het eerste concert was dus niet in 1960, zoals in de recensie werd vermeld, maar in 1958. Maar dat mocht de feestvreugde voor Frans van Leeuwen niet drukken: “Brubeck, die zich stram naar de vleugel bewoog — hij wordt over zes weken 85 (dit moest 84 zijn, HK)— heeft zoveel krediet dat zijn aanwezigheid eigenlijk al genoeg was. Maar al in het openingsstuk, een medium slow met een forse shot Bach, maakte hij duidelijk dat hij niet van plan was de avond freewheelend door te brengen. Wie gevraagd wordt, die zet zich in. Dat geldt nog sterker voor blazer Bobby Militello, die met zijn massieve Oliver Hardypostuur niet probeert te spelen als Paul Desmond, Brubecks smaakmaker uit de jaren vijftig en zestig, maar eerder als Charlie Parker en Julian ‘Cannonball’ Adderley. Meer ‘hot’ dan ‘cool’ dus, en als het even kan richting de blues. In het bekende Stormy Weather, door Brubeck bijna dromerig ingeluid, stal hij de show met een scheurende solo.
Verrassender nog was het spel van Michael Moore. Gebruiken de meeste jazzbassisten de contrabas uitsluitend om er op te plukken, Moore bracht met verve in praktijk wat hij ooit op het conservatorium leerde: dat dat onhandige ‘hondenhok’ in de eerste plaats een viool is. Zijn gestreken solo’s hebben met de geplukte gemeen dat ze een verhaal vertellen; soms romantisch, maar ook eng en gemeen. Ook de Engelse drummer Randy Jones stak zijn kop enthousiast boven het maaiveld uit. De eerste set eindigde zoals hij begon: met een massieve staande ovatie.” 57
Verder vermeldde Frans van Leeuwen in zijn recensie dat Brubeck in het tweede deel Waltz For Debby speelde, maar dit was echter Some Day My Prince Will Come.
Maartje den Breejen: “Scherp was Brubeck lang niet altijd, hij miste wel eens een nootje en zijn inzet was ook wel eens net te laat. Bovendien was bijna elke standard hetzelfde opgebouwd: Brubeck speelde een bluesachtige intro waarin het thema van het liedje was verstopt, dan nam de kogelronde altsaxofonist Bobby Militello het estafette-stokje over en scheurde er flink op los. Vervolgens was het de beurt aan bassist Michael Moore, die op elegante wijze weer rust in het nummer bracht en dan rondde Brubeck het geheel af. Het ging lichtelijk vervelen. Maar onvergetelijk waren de momenten dat Brubeck alle krachten uit zijn 84-jarige lichaam verzamelde en je hoorde dat deze man dwars tegen het ritme in harmonieën uit zijn mouw tovert, die heel tegendraads en toch heel logisch klonken. Dat je denkt: oh, dát is nou jazz. Heerlijk!” 58
Armand Serpenti: “Hoe krijg je een uitverkocht Concertgebouw enthousiast met week pianospel? Simpelweg door een legende te zijn. Met 83 jaar in de benen besteeg Dave Brubeck moeizaam de trappen van de Grote Zaal. Vuurwerk verwachtte niemand van het symbool van een gepensioneerde generatie jazzliefhebbers. Maar de man die door ‘kenners’ werd verguisd om zijn gebrekkige techniek en onvermogen om te swingen, bewees ook nu weer met voor de hand liggende en tegelijkertijd ingenieuze ideeën precies de juiste noten te raken. Door zijn slappe aanslag menigmaal overstemd door de andere leden van zijn kwartet, waren het vooral zijn intro’s waarin Brubeck zich legendarisch toonde. Verwijzingen naar stride, ragtime, blues en licht klassiek knoopte hij met contrastrijke harmonieën aan elkaar in bonte weefsels van melancholische melodieën en happy tunes; even een kort aanzetje met een aanstekelijk ritmisch thema en de band stond op de rails. These guys suffer a tremendous jetlag, but hell are they dynamite, Brubeck kon niet treffender verwoorden hoe diep Bobby Militello ging op zijn altsax, contrabassist Michael Moore met zijn strijkstok de sierlijkste nuances in zijn improvisaties bracht en Randy Jones, na een hele avond subliem functioneel drummend, in een weer-galoze solo losbarstte op de dwarse maat van de onvermijdelijke Take Five.” 59
Behalve de 39 concerten waren er ook nog 2 annuleringen.
In 1989 zou Dave Brubeck t.g.v. het 850 jarige bestaan van Emmen, sinds 1988 mijn woonplaats, optreden. Maar door gezondheidsproblemen van Brubeck werd het concert afgelast. Het was trouwens toch de vraag geweest of het kon doorgaan, want wat een feest voor alle inwoners van Emmen had moeten worden, met heel het jaar door festiviteiten, liep uit op een fiasco. Door financiële problemen werd het grootste gedeelte van het programma geschrapt.
Een tweede annulering was de concerten in schouwburg en congrescentrum Het Park te Hoorn. Op 1 en 2 november 2003 zou Brubeck optreden onder het motto Dave Brubeck Again (Brubeck was het jaar daarvoor ook al in Hoorn geweest). Ik had de kaartjes voor het concert op 1 november in juli al in huis, maar begin oktober kreeg ik een brief waarin werd medegedeeld, dat nadat het concert van 2 november was geannuleerd ook het concert op 1 november niet doorging. Volgens de brief waren de voorstellingen in Hoorn door Brubecks boekingskantoor dermate ongelukkig gepland binnen de gehele tournee, dat Brubeck op aanraden van zijn artsen had moeten besluiten de optredens te annuleren. Het was ook niet mogelijk om een vervangende datum te vinden die beter paste in het schema van de tournee.
Volgens The Dave Brubeck Quartet Newsletter 60 begon de Europese tour op 3 november in Boedapest, Hongarije en eindigde op 20 november in Mannheim, Duitsland. Er waren in totaal 11 concerten gepland in 6 landen: Hongarije, Oostenrijk, Duitsland (5), Nederland, België (2) en Luxemburg. Voorwaar geen sinecure voor iemand van (toen) bijna 83.
Bij een aantal concerten van Brubeck in Nederland heb ik niets vermeld over eventuele recensies of alleen de titels daarvan genoemd. Dit heeft twee redenen: de eerste is dat ik niet van alle concerten recensies heb en de tweede reden is dat veel recensies nogal negatief van toon zijn. Daarom heb ik maar uit een beperkt aantal geciteerd, omdat ik het niet nodig vond alle afbrekende kritiek nog een keer over Dave Brubeck uit te storten.
Helaas heb ik maar een beperkt aantal concerten bijgewoond, zodat ik niet zoveel uit eigen ervaring kan spreken. Wel heb ik alle ontwikkelingen van de muziek van Brubeck bijgehouden door te luisteren naar zijn LP’s en CD’s, (opnames) van radio en TV uitzendingen en enkele opnames gemaakt vanuit het publiek. Hierdoor heb ik toch een goed beeld van de muziek van Brubeck, zoals hij die door de jaren heen heeft gespeeld. Zoals veel Brubeck aanhangers vind ik de periode met Paul Desmond het mooiste, maar ook de kwartetten met Mulligan kon ik zeer waarderen. Bill Smith kon mij minder bekoren. Hij kreeg vaak kritiek op zijn effecten en nagalm die hij produceerde met zijn elektrisch versterkte klarinet. Eerlijk gezegd kon ik dit ook niet altijd waarderen en het beluisteren van een volledige lp, cd of concert vond ik vaak teveel van het goede. Wel geslaagd vond ik zijn uitvoering van Softly William Softly, met het Dave Brubeck Quartet en het Metropole Orkest, zoals te horen was op de radio in 1990. Na Brubeck en Mulligan traden achtereenvolgens Jerry Bergonzi, Michael Pedicin en Bobby Militello als saxofonisten aan. Jerry Bergonzi vond ik erg goed en het was jammer dat hij Brubeck verliet. Michael Pedicin was maar zeer kort bij Brubeck, hooguit een jaar en was niet in Nederland te beluisteren. Ik ken hem alleen maar van opnames gemaakt tijden het Aurex Jazz Festival 1982 in Japan en ik vind het nog steeds jammer dat hij niet langer bij Brubeck was. Na het melodische spel van Desmond en het warme geluid van Mulligan kostte het me geruime tijd om aan het schrille geluid van Bobby Militello te wennen. Mijn mening over de kwartetten met de zonen van Brubeck heb ik hiervoor al geventileerd.
Met een aantal kritieken kan ik het eens zijn. Zo vond Sante Brun tijdens het concert van 10 november in Heerlen de drummer te prominent aanwezig. Ik vond dat ook bij de concerten van 24 april 2000 in Carré en op 25 oktober 2004 in Het Concertgebouw. Net zoals Sante Brun zat ik bij beide concerten vlak vooraan en mogelijk dat dit meespeelde en dat meer naar achteren de drummer minder overheerste.
Ook ben ik het voor een deel eens met de kritieken van het laatste concert in 2004. De meest nummers hadden een zelfde soort opbouw: een intro door Brubeck die de band op de rails zette, gevolgd door veelal spetterende (dat wel) soli van de andere bandleden. Dit werkte een zekere mate van eentonigheid in de hand. Maartje den Breejen vond het lichtelijk gaan vervelen. 58 De jet lag van de overige leden van het kwartet waar Brubeck het over had leek eerder op hem van toepassing. Maar van iemand die al bijna 84 jaar is en nog zo zulke tournees maakt, mag men aan de ene kant niet al te hard vallen, maar aan de andere kant wil de concertbezoeker toch waar voor zijn geld.
Hoewel het enigszins buiten het bestek van dit artikel valt wil toch nog enige aandacht besteden aan het feit dat Brubeck vaak negatief door de critici werd beoordeeld.
Brubeck zegt daar zelf over: ‘Miles kwam een keer een club binnen waar ik after hours werkte met Ella Fitzgerald. Miles zat aan de bar en toen we stopten zei hij: “Je muziek swingt niet.” Iedereen hoorde dat en in de pers verscheen met grote letters: “Miles zegt dat Brubeck niet swingt”. Maar ze hoorden niet wat hij even later zei: “Jij swingt, maar je band swingt niet”.
Grinnikend: Typisch Miles, het ene moment zei hij dit en even later iets anders.’
‘Wat de jazzjournalisten betreft, de groten onder hen waardeerden me. Maar ze moesten groot zijn, anders begrepen ze niet wat ik deed. John Hammond, een van de taaiste, schreef mijn eerste belangrijke recensie. Hij zei: “Luister naar deze groep, dit wordt het helemaal”. Criticus Steve Ray zei hetzelfde, toen hij de hoestekst schreef voor ons album Time Out. Hij zei dat we zelf niet eens beseften hoe belangrijk die plaat was. Volgens hem was onze muziek een blik in de toekomst. Maar je komt ook recensenten tegen die niet begrijpen wat je doet. Als ze niet snappen waar je mee bezig bent, dan waarderen ze het niet. Je kunt het ze niet eens kwalijk nemen.’
‘Er is eens een recensent bij me geweest om zijn excuses aan te bieden. Hij zei: ”Ik ben ook pianist en jij had alle succes. Ik verloor mijn objectiviteit en ik wil dat je me dan vergeeft”. Maar de recensie was al gepubliceerd en in Europa werd zijn verhaal overal gekopieerd. Ik kwam over de hele wereld diezelfde recensie tegen. Recensenten zijn net schapen. Maar het schijnt er bij te horen. Als je een tijdje aan de top staat, dan ben je een makkelijke prooi. Of ik me dat aantrek? Natuurlijk. Het publiek krijgt dingen te lezen die niet waar zijn. Wie vindt zoiets nou leuk?’ 61
Ton Ouwehand geeft de volgende verklaring voor de negatieve houding van de critici: ‘De critici vielen niet eens over het gestoei met maatsoorten. (Hier ben ik niet mee eens, want veel critici vielen Brubeck daarop geregeld aan. HK) Ze stoorden zich aan zijn muzikale verleden. Het is tegenwoordig normaal als jazzmusici een klassieke achtergrond hebben. Dat was in de jaren vijftig en zestig heel anders. Klassieke achtergronden waren verdacht. Een jazzmusicus hoorde in die tijd met een (liefst overleden) jazzheld als voornaamste inspiratiebron autodidact te zijn. Daar zat Brubecks ‘fout’. Hij was klassiek geschoold, had bovendien na zijn studie bij Darius Milhaud lessen gevolgd van Arnold Schönberg, een van de grootste vernieuwers van de Europese klassieke muziek. Voor jazzmusici zou dat nu een aanbeveling zijn maar Brubeck werd om die reden door de critici verguisd.’ 62
In de jaren 90 van de vorige eeuw treedt er een kentering op en verschijnen er artikelen van o.a. Brian Morton (1992) 63, Peter van Eijkelenburg (1994) 64, Wil Kester (1994) 65, Jeroen de Valk (1995, 1996, 1998) 66-69 waarin Brubeck voorzichtig aan gerehabiliteerd wordt en meer erkenning krijgt voor zijn oeuvre. Ook in het al eerder aangehaalde artikel van Anton Kop wordt een lans gebroken voor de herwaardering van Brubeck. 5
Velen met mij zullen, toen Brubeck op leeftijd kwam, wel eens gedacht hebben: “Laten we maar gaan, nu is hij er nog, het kon wel eens de laatste keer zijn”.
Na 46 jaar is er een einde gekomen aan het tijdperk Brubeck in Nederland. Zoals we zagen kwam Brubeck in deze periode met veel verschillende bezettingen naar Nederland. Na het klassieke kwartet met Paul Desmond (1958-1967) volgde het Dave Brubeck Trio met Gerry Mulligan (1968-1974, in 1972 voegde Paul Desmond zich daar weer bij) en Dave Brubeck met zijn zonen als Two Generations Of Brubeck (1974) en The New Dave Brubeck Quartet (1977). Daarna volgde kwartetten met Jerry Bergonzi (1979), Bill Smith (1982-1994, met in 1990 als speciale gast Carmen McRae), Bobby Militello (1987 en 1998-2004). Ook was Brubeck met orkesten te horen zoals in zijn oratorium Light In The Wilderness (1969), het Metropole Orkest (1990) en het kamerorkest Schloss Werneck in het programma From Bach To Brubeck (2000).
Overal waar Brubeck speelde, van noord (Hoorn) tot Zuid (Heerlen) en van oost (Hengelo) naar west (Den Haag), was het publiek enthousiast.
Als ik Brubeck tegenkwam dan zou ik zeggen: “You did it in your own sweet way, thank you and take five.”
Bij sommige concerten heb ik al vermeld dat er radio of TV uitzendingen waren. Van het aantal concerten dat Brubeck in Nederland gaf ben ik vrij zeker, maar mijn overzicht van Brubeck op de Nederlandse radio en TV is zeker niet compleet. Veelal weet ik de uitzenddata en zenders niet waarop de opnames te horen of te zien waren. Hopelijk kunnen lezers aanvullingen geven op dit overzicht:
De uitzendingen van 1958-1964 waren met het klassieke Dave Brubeck Quartet: Dave Brubeck (p), Paul Desmond (as), Gene Wright (b), Joe Morello (dr).