Mijn column in het vorige NJA Bulletin leverde een interessante reactie op, die elders in dit nummer staat afgedrukt. Jan v.d. Voorde, redacteur van het blad Jazz Inn-Fo van Jazzclub Assen, ondergraaft daarin de betrouwbaarheid van de Rhythme Polls. Twintig jaar geleden had hij een interview met Skip Voogd, destijds hoofdredacteur van Rhythme, en die bekende hem dat de uitslagen van die polls ‘volstrekt verzonnen’ waren.
Ik heb geen reden om te twijfelen aan de mededelingen van Jan v.d. Voorde, maar nieuwsgierig naar details als ik ben, besloot ik toch nog eens nauwkeurig navraag te doen bij Skip Voogd. Enerzijds bevestigde hij in grote lijnen zijn relaas uit 1983. Een Rhythme Poll placht hooguit veertig à vijftig lezersreacties op te leveren. Dat bracht het gevaar met zich mee dat kleine groepen fans, door collectief in te sturen, hun favoriet een absurd hoge plaats zouden bezorgen – zoals waarschijnlijk in 1954 is gebeurd met de bizarre overwinning van Piet Leblanc in de categorie baritonsaxofoon, die de clou van mijn vorige column vormde.
Vandaar dat Skip Voogd (die pas in 1955 bij Rhythme ging werken) de poll-uitslagen zonodig aanpaste aan de door hem veronderstelde voorkeur van het brede jazzpubliek. Hij deed dat bij de categorie Nederland; collega-redacteur Anton Kop Jr. nam de categorie Buitenland voor zijn rekening. Voogd: ‘Je moest gewoon gokken en op je eigen gevoel afgaan.’
Anderzijds legde hij de inzendingen niet ongelezen terzijde. ‘Ik ging wel degelijk turven, en de volgorde van de lezerslijstjes hield ik meestal wel aan. Het moest alleen een beetje gezellig worden gebracht. Je kon niet alleen Philips-artiesten laten winnen. Behalve de Dutch Swing College Band moesten bijvoorbeeld de Dixieland Pipers er redelijk uitkomen, want Bovema adverteerde ook in Rhythme. En over de categorie Radio-Gramofoonplaten-Programma belde Pete Felleman altijd op (Voogd imiteert diens markante stem): “Denk erom, Skip, Felleman moet winnen!”’
Paradoxaal genoeg was het effect van Skip Voogds ingrepen veelal dat de winnaars in Rhythme een minder hoog percentage kregen dan ze in werkelijkheid hadden gescoord. ‘Het moesten spannende lijstjes zijn. Als Rita Reys bij de zangeressen bijvoorbeeld 85 procent van de stemmen had gehaald, maakte ik daar liever 45 procent van. Babes Pronk of Greetje Kauffeld moest immers ook aan bod komen. Maar Rita bleef natuurlijk altijd nummer één.’
Samenvattend: ‘De poll-uitslagen waren absoluut indicatief voor de smaak van het jazzpubliek. Anders had het geen zin. Die percentages, daar moet je verder niet naar kijken, maar de volgorde was goed.’
Mag ik voor de geschiedschrijving – en hopelijk ten overvloede – verzekeren dat het blad Jazzwereld (1965-’73), waarvan ik redacteur en hoofdredacteur ben geweest, zich nooit schuldig heeft gemaakt aan dit soort manipulaties? Bij de uitslag van de eerste Jazzwereld-poll (mei 1967) meldden we in onze redactionele inleiding het precieze aantal inzendingen en spraken daarover onze teleurstelling uit: ‘Slechts 291 van de 12.500 verspreide formulieren kregen wij terug, hetgeen 2,3 procent is.’