Sinds Charles Delaunay in 1936 in Frankrijk de jazzdiscografie uitvond, zijn er twee dingen veranderd. Het discografische ambacht heeft een formidabele ontwikkeling doorgemaakt, maar tegelijkertijd is de hoeveelheid te verwerken discografische jazz-informatie zo kolossaal gegroeid dat ze bijkans onhandelbaar is geworden.
Als gevolg daarvan zijn de jazzdiscografen zich steeds meer gaan specialiseren. Ze richten zich tegenwoordig veelal op één musicus of één land. De Nederlandse liefhebbersuitgeverij Names & Numbers (Reine Claudestraat 15, 1326 JC Almere; e-mail: gehojazz@planet.nl) timmert ook internationaal aan de weg met voorbeeldige Engelstalige discografieën van onder anderen Lester Young, Charlie Parker en Clifford Brown. Op komst zijn oeuvre-overzichten van Bob Gordon & Jack Montrose, Teddy Edwards en Lars Gullin.
Dat vermindert uiteraard niet de behoefte aan algemene jazzdiscografieën, en op dat punt is de laatste jaren helaas een even onoverzichtelijke als onbevredigende situatie ontstaan. De klassieke jazz is vanouds in goede handen bij de Brit Brian Rust. Zijn Jazz And Ragtime Records (1897–1942) bereikte vorig jaar zijn zesde editie (twee delen, 2016 pagina’s), en hoewel er natuurlijk altijd detailkritiek mogelijk blijft, is deze periode hiermee adequaat in kaart gebracht.
Met het tijdvak 1942–heden staat het er een stuk slechter voor. De Deen Jørgen Grunnet Jepsen verrichtte onmisbaar pionierswerk met zijn Jazz Records, een elfdelige serie die hij tussen 1963 en 1970 publiceerde. Jammer genoeg kon Jepsen de verleiding niet weerstaan om de periode die hij bestreek gaandeweg uit te breiden. Zijn eerst verschenen delen omvatten de jaren 1942–1962. Het laatste deel liep door tot 1969. Had Jepsen vastgehouden aan zijn oorspronkelijke opzet, dan zou Jazz Records 1942–1962 een standaardwerk zijn gebleven, dat in volgende edities kon worden vervolmaakt. Andere discografen hadden zich dan op de jaren na 1962 kunnen storten. Nu werd onvermijdelijk geroepen om een ‘nieuwe uitgebreide Jepsen’.
In de jaren tachtig – Jepsen was in 1981 gestorven – werd de fakkel overgenomen door zijn landgenoot Erik Raben. Die trok wel een heldere tijdgrens, en zo verschenen zeven delen Jazz Records 1942–1980, van Ossi Aalto tot Simon Frazier.
Er waren inmiddels echter kapers op de kust gekomen, die minder gewetensvol te werk gingen dan Raben en zijn internationale groep jazzdiscografen. Raben c.s. baseerden zich op oorspronkelijke, eigen research. De Belg Walter Bruyninckx en de Canadees Tom Lord compileerden voor hun ‘totale jazzdiscografieën’ rücksichtslos alle informatie uit eerdere publicaties, meestal zonder de juistheid te checken. Die piraterij schaadde uiteraard de markt voor het veel waardevoller werk van Raben, en dat leidde ertoe dat zijn serie in 1999 voorlopig tot stilstand kwam.
Bovendien kreeg Tom Lord het, op zich verstandige, idee om de 26 delen van zijn Jazz Discography te combineren tot één – uiteraard buitengewoon prijzige – cd-rom met allerlei toegevoegde zoekmogelijkheden, maar nog steeds met alle fouten en stommiteiten van zijn papieren publicaties.
In zijn wanhoop heeft Erik Raben zojuist deel 8 van zijn Jazz Records 1942–1980 (Fre tot Gi) dan ook maar als cd-rom uitgegeven. De vraag is natuurlijk hoeveel jazzliefhebbers ervoor zullen kiezen om hun zeven delen Raben met één partiële cd-rom uit te breiden, terwijl Tom Lord ze de totale – zij het zeer onvolmaakte – informatie over meer dan een eeuw jazzplatenproductie op één cd-rom kan bieden. En zo bedreigt de wet van Gresham (bad money drives out good money) ook de toekomst van de jazzdiscografie.