[hoofdmenu]
Archief van het NJA Bulletin

Afscheid van een jazz-mecenas

In de nacht van 8 op 9 januari stierf hij, 78 jaar jong, maar na een zeldzaam welbesteed jazzleven. Frank Ténot’s eerste jazzactiviteit was het schrijven van stukjes voor een plaatselijk weekblad, als middelbare scholier in Bordeaux. Zestig jaar later had hij nog altijd zijn maandelijkse column Frankly Speaking in het Franse Jazz Magazine. In de tussentijd was hij secretaris van de Hot Club de Bordeaux (vanaf 1942), redactiesecretaris en redacteur van Jazz Hot (1946–’54), hoofdredacteur-directeur van Jazz Magazine (vanaf 1954), co-presentator — samen met zijn bijna levenslange kompaan Daniel Filipacchi — van het dagelijkse (!) jazzprogramma Pour ceux qui aiment le jazz (1955–’68) en mede-organisator van grote Amerikaanse jazzconcerten in Parijs (vanaf 1956).

Bijna met zijn linkerhand werd hij ook nog miljonair in de pop- en uitgeef-business. Filipacchi en hij begonnen in 1962 het tienerblad Salut les copains en voegden daar later andere lucratieve tijdschrifttitels aan toe, zoals Lui, Mademoiselle âge tendre en de Franse Playboy. Toen ze in 1976 ook nog het weekblad Paris Match kochten, waren Filipacchi en Ténot definitief uitgeef-tycoons geworden.

Anders dan menigeen die vanuit de jazz via de pop-business zijn fortuin maakte, bleef Frank Ténot zijn oorspronkelijke liefde trouw. Hij hield Jazz Magazine in alle magere jazzjaren overeind en toen hij zich in 1999 terugtrok uit de uitgeef-business, werd hij zo ongeveer fulltime jazz-mecenas.

In de jaren tachtig was de firma van Filipacchi en Ténot gefuseerd met het immense Hachette-concern. Dat bracht met zich mee dat Jazz Magazine moest verhuizen van het legendarische adres 63, avenue des Champs-Elysées naar een betonnen bunker in een voorstad. Zodra Ténot weer vrij man was, maakte hij Jazz Magazine los van Hachette. Hij werd zelf 51-procents aandeelhouder en bracht het blad prompt terug naar de oorspronkelijke plek in het gebouw aan de Champs-Elysées, dat inmiddels zijn privé-eigendom was geworden.

Maar dat was lang niet zijn enige jazz-weldaad. Ténot begon het Parijse 24-uurs jazzstation TSF (89.9 FM). Hij kocht het concurrerende blad Jazzman op toen dat in moeilijkheden kwam te verkeren (en maakte, tegen mijn verwachting in, nooit aanstalten om het te laten opgaan in Jazz Magazine). Hij stelde de Franse orkestleider Laurent Cugny in 2000 financieel in staat het Maison du jazz op te richten. Hij maakte de start van de internationale website www.jazzvalley.com mogelijk. En ik weet zeker dat die opsomming verre van volledig is.

De laatste column die Frank Ténot schreef, in Jazz Magazine van januari, gaf onverminderd blijk van zijn jazz-engagement. Hij prees een paar dvd’s van violist Stéphane Grappelli aan (‘enthousiasmerende, warme, kleurige, joyeuze en sentimentele muziek’) en besloot met een elegant stukje Franse diepzinnigheid: ‘si le jazz est de l’improvisation, cela n’exclut jamais le travail et la réflexion’.

Ik heb hem één keer mogen ontmoeten, in mei 2002 toen ik voor een Volkskrant-reportage over jazz in Parijs een bezoekje bracht aan de redactie van Jazz Magazine. Terwijl ik aan het eind van de middag met hoofdredacteur Philippe Carles zat te praten, liep Frank Ténot onverwacht even binnen. In een vriendelijk gesprekje van hooguit een kwartier gaf hij me een nieuw, genuanceerd inzicht in de Franse jazzoorlog tussen ‘oudestijl’ en ‘bebop’, die onder leiding van de kemphanen Hugues Panassié en Charles Delaunay vanaf de jaren veertig werd uitgevochten. (Ik heb er nog over geschreven in het blad Doctor Jazz van september 2002.)

Ik herinner me dat ik toen al de burelen van Jazz Magazine verliet met een licht gevoel van weemoed: waarom heeft de Nederlandse jazzwereld nooit een man als Frank Ténot gekend?


© 2002–2010 NJA | colofon