In het Achterhoekse boekenstadje Bredevoort loop ik op een mooie zaterdagmiddag langs het Groot Boek- en Koffiehuis. ‘Opheffingsuitverkoop, alle boeken één euro’, staat op het raam, dus ik ga inmiddellijk naar binnen. Het eerste boek dat ik zie liggen heeft een mooie zwartwit-kaft met daarop een foto van Ed van der Elsken. Het heet ‘De jeugd in het geding’, door D.E. Krantz en E.V.W. Vercruijsse, uitgeverij De Bezige Bij, 1959.
Ik sla het open en lees de eerste zin: ‘De directe aanleiding tot het onderzoek, waarvan hier verslag zal worden gedaan, was het optreden van het jeugdige publiek tijdens een jazz-concert van Lionel Hampton in de Apollohal te Amsterdam.’ Mijn dag kan niet meer stuk.
Thuisgekomen stel ik vast dat Krantz en Vercruijsse een ambitieuze doelstelling hadden: ‘de belangstelling van de onderzoekers [was] in hoofdzaak gericht op de sociale samenstelling van het jeugdige publiek van jazz-concerten en het patroon van vrije-tijdsbesteding van deze jeugd’. Maar ze wisten onvoldoende geld voor hun onderzoek los te krijgen en presenteren de resultaten met enige gêne. Na vijf jaar zijn ze - buiten het analyseren van krantenberichten en schaarse film- en tv-beelden - niet veel verder gekomen dan een kleine enquête onder de leden van de Leidse dansclub ‘The Rolling Rock’.
Toch komen ze tot een conclusie die in 1959 velen zal hebben verrast: niet de ‘losgeslagen jongeren’ maar de bekrompen ouderen vormen het grootste probleem. ‘Wanneer de volwassenen vanuit de vanzelfsprekendheden, hun generatie eigen, de toelaatbaarheidsgrenzen voor het gedrag van de jeugd zo nauw trekken als thans geschiedt, zijn zij het, die het jeugdprobleem scheppen’, schrijven Krantz en Vercruijsse. ‘Het wordt zaak de bezorgde volwassenen ervan te overtuigen, dat het nodig is de grenzen van het toelaatbare te verwijden en het gedrag van bepaalde groepen jongeren als een aanvaardbare variatie op het algemene patroon te beschouwen.’
De enquête onder de leden van ‘The Rolling Rock’ levert voornamelijk overvloedig bewijs van hun braafheid en hun totale gebrek aan politieke belangstelling (de jaren zestig moeten echt nog beginnen). Toch komt er, uit jazz-historisch oogpunt, één interessant gegeven uit: de jongelui dansen graag op rock’n roll, maar luisteren liever naar jazz. ‘Rock’n roll is eigenlijk helemaal geen muziek’, zegt een van hen. ‘Er is alleen maar ritme en scheurende saxen.’
Het muzikale idool van de Rolling Rockers is ‘Jerry Mulligan, de beroemde (zeer vitaal-spelende!) baritonsaxofonist’, melden de onderzoekers. ‘Deze solist geniet een bewondering als was hij een magiër - en ook onder deze jongeren valt een stilte, wanneer hij speelt.’
Natuurlijk is rebellie als motief niet geheel afwezig: jazz geeft ‘nieuwe ruimte voor de vrijheid van de musicus - en ook daarom vindt deze muziek waarschijnlijk zoveel weerklank bij een jonge generatie!’ De aantrekkelijkheid van de jazz wordt verder verhoogd door ‘het feit, dat hij in het algemeen door de volwassenen niet aanvaard wordt’. Maar uiteindelijk pleiten Krantz en Vercruijsse de jazz geheel vrij van elk schadelijk effect: ‘Van de jazz gaat geen specifieke pathogene werking op de jeugd uit. Aan de jazz, in welke vorm ook, kan geen invloed toegeschreven worden op het ontstaan van de wanordelijkheden.’ Jammer, zou je bijna zeggen.
Intussen zou het voor het Nederlands Jazz Archief de moeite waard zijn als het kon beschikken over de complete enquêteresultaten, die in het boek slechts zeer schetsmatig worden weergegeven. De leden van ‘The Rolling Rock’ moesten namelijk niet alleen antwoorden op vragen over hun werk, school, ambitie en woonsituatie, maar ook hun muzikale smaak gedetailleerd in kaart brengen: ‘Welke jazzstijl heeft je voorkeur? Welke orkesten hoor je het liefst? Welke solisten hoor je het liefst? Waarom doe je deze keus?’
Dat lijkt me prachtig materiaal voor de historische jazzonderzoeker.