Sinds ik als veertienjarige in 1956 het Parool-interview van de legendarische Willem (Wittkampf) met de even legendarische Pete Felleman las, zat ik met een onopgelost raadsel. Aan het eind van het verhaal, als altijd door Willem in monoloogvorm opgetekend, vertelde Felleman een sterke anekdote over een New-Yorkse plaatsessie die hij klaarblijkelijk kort tevoren had bijgewoond. De clou draaide om de drummer, een zekere Joshua, die zich recentelijk tot de islam had bekeerd en nu Ali Ben Youssouf heette. De trompettist-leider, Marshall, had een nieuw nummer geschreven dat hij ‘Geetele’ had gedoopt, een jiddisch koosnaampje (letterlijk ‘geitje’) voor zijn joodse vriendinnetje. De producer, Rocco, vond dat geen naam voor een jazzcompositie en riep: “O.K. We noemen dat nummer ‘Tel Aviv’. Vooruit jongens! Beginnen!”
Toen ze twee maten onderweg waren, merkten de musici dat er iets ontbrak. “Achter zijn glanzende trommels zat daar Joshua met de armen over mekaar. Een ogenblik leek het of hij zou gaan huilen. Toen zei hij – zijn groot gezicht één zwarte vlam van ernst – “Ik, Ali Ben Youssouf, speel geen nummer dat ‘Tel Aviv’ heet”, aldus Felleman in Willem’s weergave.
De kwestie was natuurlijk: over wie gaat het hier in werkelijkheid? Mijn ijverige speurwerk leverde jarenlang niets op (het nummer ‘Tel Aviv’ van fluitist Herbie Mann dateerde bijvoorbeeld van maart 1957, dus een jaar te laat), tot ik het in november 1996 eindelijk aan Pete Felleman zelf kon vragen.
Zijn antwoord was onthutsend. De anekdote speelde niet in 1956 maar zeven jaar eerder, en Felleman was er zelf helemaal niet bij geweest:
“Het was een verhaal dat ik in New York op straat van Johnny Carisi had gehoord, over de Miles Davis-sessie uit 1949 die later ‘Birth of the Cool’ ging heten. Het Miles Davis-nonet, met Kenny Clarke op drums, zou Carisi’s compositie ‘Israel’ opnemen. Kenny had zich kort tevoren tot de islam bekeerd en noemde zich nu Liaqat Ali Salaam. Toen het nummer voor het eerst werd ingezet, bleef hij inderdaad met zijn armen over elkaar zitten: “Ik speel geen nummer dat ‘Israel’ heet”.
Ik schreef er destijds een stukje over in Jazz Nu, met als moraal dat de beroemde Willem Wittkampf zijn interviewers-credo “Het zijn zijn woorden, maar het is mijn verhaal” als het zo uitkwam kennelijk flink oprekte. Maar de vraag bleef hoe betrouwbaar Felleman zelf als jazz-raconteur was.
De Amerikaanse Stephanie Stein Crease geeft in haar nieuwe biografie ‘Gil Evans: Out of the Cool’ het antwoord. Ze laat Johnny Carisi vertellen over de opname van ‘Israel’:
“The band had a couple of false starts, and all of a sudden Clarke stops playing and says, ‘What! Israel! Man, I ain't playing no Jewish music!’ So I went over to Kenny and I made a big point about his American name, ‘Come on now, Kenny Clarke, play the fucking thing!’ And he played it, however reluctantly.”
Kortom, er was in 1996 weinig mis met het geheugen van Pete Felleman. Des te triester dat het nooit is gelukt zijn jazzherinneringen systematisch vast te leggen. David de Jongh heeft serieuze pogingen in het werk gesteld om samen met Felleman een boek te schrijven, vergelijkbaar met Frank van Dixhoorn’s ‘Michiel de Ruyter: Een leven met jazz’ (Uitgeverij Van Gennep; 1984). Maar dat plan strandde al spoedig op Felleman’s eigenzinnige karakter. Op 11 februari 2000 overleed Pete Felleman, 78 jaar oud. Veel van zijn jazzverhalen heeft hij meegenomen in zijn graf.