Tientallen beroemde Amerikaanse jazzmusici hebben de laatste jaren in Nederland workshops of masterclasses gegeven, van Barry Harris tot Michael Brecker en van Bill Holman tot Wynton Marsalis, maar Amerikaanse jazzgeleerden komen hier hoogst zelden optreden. Daarom was het zo’n mooi idee van de Vereniging voor Muziektheorie om op 12 april in samenwerking met het Conservatorium van Amsterdam een studiedag rond musicoloog en jazzhistoricus Scott DeVeaux te organiseren.
Een select gezelschap studenten, docenten en liefhebbers kreeg twee boeiende lezingen voorgezet, over de Billy Eckstine-band uit de jaren veertig (gebaseerd op een hoofdstuk uit DeVeaux’ baanbrekende studie ‘The Birth of Bebop’) en over de roemruchte tv-documentaire Jazz van Ken Burns (die jammer genoeg nog steeds niet in Nederland is uitgezonden). Maar hoe verheugd ik ook was over dit initiatief, ik raakte een tikje gedeprimeerd toen ik hoorde wat dit bezoek aan Nederland mogelijk had gemaakt. Scott DeVeaux was het afgelopen studiejaar Fulbright-gasthoogleraar aan de universiteit van Odense (Denemarken). Hoe lang zal het nog duren voor de Nederlandse universiteiten dit soort mogelijkheden bieden?
De buitenlandse activiteiten van Nederlandse jazzmusici en jazzauteurs bieden de laatste tijd een iets evenwichtiger beeld. Muzikanten als Misha Mengelberg, Han Bennink, Ernst Reijseger, Willem Breuker en Michiel Borstlap vieren overal ter wereld triomfen, maar ook Jeroen de Valk (met zijn biografieën van Chet Baker en Ben Webster) en NJA-medewerker Walter van de Leur (met zijn dit voorjaar door de gerenommeerde Oxford University Press uitgegeven standaardwerk ‘Something to Live For: The Music of Billy Strayhorn’) timmeren tegenwoordig internationaal aan de weg. Nog voor de eerste recensie van zijn boek was verschenen, mocht Walter van de Leur zich al koesteren in de aanprijzingen van autoriteiten als Dan Morgenstern (exemplary work
), Bill Kirchner (sets a new standard of excellence for jazz musicology
) en Strayhorn-biograaf David Hajdu (groundbreaking, fearless, sensitive
).
Ook onze jazzdiscografen tellen wereldwijd mee. Piet Koster kwam dezer dagen met zijn lang verwachte driedelige ‘Bird Lore: A Revised Charlie Parker Discography’, de tot 750 pagina’s uitgedijde nieuwe versie van zijn pionierswerkstuk uit 1974-’76. Vier jaar geleden trok Koster al buitenlandse aandacht met zijn ‘Lestorian Notes: A Discography and Bibliography of Lester Young’, een 487 pagina’s tellend opus in samenwerking met Harm Mobach.
Intussen blijft het wachten op de eerste structurele mogelijkheden voor jazzwetenschappelijk onderzoek in Nederland. Maar er gloort sinds kort enige hoop. De Haagse Hogeschool voor Beeldende Kunsten, Muziek en Dans heeft een brug geslagen naar de Universiteit Leiden. De hogeschool is als Faculteit der Kunsten onderdeel van de Leidse universiteit geworden, met de Haagse College van Bestuur-voorzitter Frans de Ruiter als decaan.
In eerste instantie is het de bedoeling de Leidse studenten minor-studies in de kunsten aan te bieden, die op den duur kunnen uitgroeien tot major-studies. Daarnaast hoopt deze nieuwe Faculteit der Kunsten ook wetenschappelijke projecten aan te vatten. Wouter Turkenburg, die een interessante dubbelfunctie bekleedt (hoofd van de jazzopleiding aan de Haagse Hogeschool en tegelijk parttime universitair docent jazz in Utrecht), heeft al plannen klaarliggen voor een doorlopend academisch onderzoek naar improvisatie en swing.
Wie weet is dus het moment nabij dat wij hier niet meer jaloers hoeven te zijn op de universiteit van Odense, en dat we zelfs voorzichtig kunnen denken aan een Nederlands equivalent van het Amerikaanse Institute of Jazz Studies, het Duitse Jazz-Institut Darmstadt of het Oostenrijkse Institut für Jazzforschung in Graz. En hopelijk zal ook het Nederlands Jazz Archief in die ontwikkeling een rol kunnen spelen.