[hoofdmenu]
Archief van het NJA Bulletin

Nedly Elstak - een korte impressie

Kees Stevens

In de jaren vijftig waren trompettisten van naam een schaars goed in de Nederlandse jazz. Ack en Jerry van Rooyen, Ado Brood, en dan had je het wel ongeveer gehad. Cees Smal speelde nog ventieltrombone. De eerste twee verdwenen eind jaren vijftig naar het buitenland, terwijl Broodboom in een jazzomgeving slechts sporadisch te beluisteren viel; de kleine combo van de Ramblers was zo’n mogelijk in de jaren vijftig en in de jaren zestig zat hij in de trompetsectie van Boy’s Big Band. De muzikale oriëntatie was bebop, ook van Nedly Elstak, die ik nooit als boptrompettist meegemaakt heb en wiens bijdrage aan Jazz at The Kurhaus op Omega, 1953, ik alleen uit de overlevering kende, een gemis dat nu met de nieuwe cd van Nedly eindelijk goed gemaakt is.

De eerste muziek die ik van Elstak hoorde, was via de radio: het Black Sea Quintet met Theo Loevendie, Misha Mengelberg, Maarten Altena en Harry Piller. Dat was voor die tijd - het moet rond 1960 zijn geweest - in mijn oren ongehoord progressieve muziek met composities van Mengelberg en Loevendie. Er moeten daar opnamen van zijn, maar tot nu toe zijn die niet boven water gekomen.

‘Live’ hoorde ik hem voor het eerst halverwege de jaren zestig met het ‘Workshop Kwartet’, wederom een gezamenlijke onderneming van hem en Loevendie, met Altena en Johnny Engels op slagwerk tijdens een concert in het roemruchte vestzaktheater-café ‘De Trapkes’ in Breda. Met dat concert had ik zelf bemoeienissen, want ik zat in het bestuur van ‘De Trapkes’. De muziek was open en interactief en hoewel er Amerikaanse invloeden aan te wijzen waren, werd er in een eigen, zeer persoonlijke taal gemusiceerd.

Na die eerste keer heb ik Elstak nog in vele combinaties gehoord, maar het duurde tot de toekenning van de Boy Edgarprijs aan Elstak dat ik weer persoonlijk met hem in contact kwam. Nadat informeel aan hem meegedeeld was dat de Boy Edgarprijs aan hem was toegekend, bezocht ik samen met juryvoorzitter Jaap de Rijke Nedly in de Guldenhandsteeg te Amsterdam, waar hij met zijn katten twee etages bewoonde en waar hij ook zijn workshops hield. Vol trots toonde hij zijn nieuwe bureaustoel, die hij na het vernemen van het heuglijke nieuws onmiddellijk van het nog niet ontvangen prijzengeld had aangeschaft. In de loop van de avond bleek ook dat hij zich had laten verleiden om een mooie, lange witlederen jas aan te schaffen. Eigenlijk was hij op een regenjas uit, maar deze jas had zijn voorkeur. Tot zijn ontzetting ontdekte hij in de jas een labeltje dat de jas niet in de regen gedragen mocht worden. Met grote voortvarendheid kocht hij ook nog een nieuwe regenjas, zodat hij, voordat hij nog maar een cent van het prijzengeld van 5000,- had ontvangen, meer dan het hele bedrag had uitgegeven.

Omdat er voor zo’n omvangrijke groep als het ‘Paradise Regained Orchestra’ nauwelijks emplooi was, speelde Nedly iedere nacht tot vier uur ’s morgens in Casa Rossa, een goktent op de wallen, waar ook bingoavonden voor de buurt georganiseerd werden. Hij speelde er uitsluitend piano met een ritmesectie als een soort grauw behangselpapier. Als je niet op de ritmesectie lette, had je er geen last van en kon je je volledig op Nedly’s spel concentreren. En hij speelde er de sterren van de hemel. Af en toe eens een eigen stuk, maar ook standards en de bossa nova ‘Recado’. De solostukken op de cd geven een indruk van hoe het toen geweest is, want zij zijn ongeveer uit dezelfde tijd.

Toch moet het voor hem een hel geweest zijn; de drank was er gratis, terwijl de eigenaar hem verboden had alcohol te nuttigen. Toen wij omstreeks drie uur het etablissement verlieten, schoof Nedly naar ons toe en vroeg met een benauwd gezicht of wij zijn muziek niet mooi vonden, om er op te laten volgen; "Ik krijg de prijs nu toch nog wel?"

Wij overtuigden hem ervan dat de beslissing al lang genomen was en dat daar niet meer aan te tornen viel. De Stichting Jazz In Nederland (SJIN.) moest in allerijl geld vrijmaken om het ‘Paradise Regained Orchestra’ bij elkaar te kunnen halen, want Nedly was vergeten dat jaar subsidie aan te vragen. En dat orkest moest op de prijsuitreiking spelen, want de muziek daarvan was een van de argumenten om hem de prijs toe te kennen.

De laatste keer dat ik hem ontmoet heb, was in Antwerpen. Hij was op weg geweest naar de Belgische altsaxofonist Mike Zinzen, die met hem een concert in het BIM-huis zou verzorgen. Hij wou met Zinzen over dat concert afspraken maken, maar had in zijn voortvarendheid geen afspraak gemaakt om langs te komen. Toch was het voor hem geen vergeefse tocht. Vol trots toonde hij mij een ouderwetse diaviewer die in Nederland al lang uit de handel was genomen. De eerste beste winkel met fotoartikelen, waar hij langskwam, had dat apparaat in de etalage staan. Het bleek daar het laatste te zijn.

Op een vriend van mij, die bij de ontmoeting aanwezig was, maakte hij een onsterfelijke indruk. Nedly had een biertje besteld dat hij lange tijd onaangeroerd liet, zo ging hij in zijn verhaal van de diaviewer op. Onmiddellijk na zijn verhaal keek in zijn agenda, waarin hij een digitaal klokje had zitten, en zei dat hij moest gaan. Hij verdween in de menigte, maar niet voordat hij in een teug het schijnbaar vergeten biertje naar binnen had gegoten.


© 2002–2010 NJA | colofon