Het Amsterdamse zingende duo ‘Johnny and Jones’ werd gevormd door Nol (Arnold Siméon) ‘Johnny’ van Wesel (geboren op 3 augustus 1918) en Max (Salomon Meyer) ‘Jones’ Kannewasser (geboren 24 september 1916).
Hun samenwerking ontstond in de loop van 1934 toen beiden werkzaam waren in de Amsterdamse vestiging van het warenhuis de Bijenkorf. De eerste vermelding van het toekomstige duo is te vinden in het personeelsblad ‘Bij en Korf’ van 1934, een uitgave van personeelsvereniging ‘De Zwerm’.
Een citaat:
“Het debuut van ‘The Bijko Rhythm Stompers’, bestaande uit de Heren Bob Beek, Max Kannewasser, Max Meents en Nol van Wesel was een openbaring en hield tevens een belofte in voor de toekomst, want deze jonge zangers, die een storm van bijval oogstten, zullen als nieuwe steunpilaren van de [personeelsvereniging] ‘De Zwerm’, nog dikwijls onze avonden opluisteren. Excelsior, jongens”,
aldus het bestuur van ‘De Zwerm’.
Anders dan de naam doet vermoeden was het dus een zangkwartet met waarschijnlijk gitaarbegeleiding van Nol van Wesel en/of andere leden van het viertal.
In de loop van 1936 gingen Max en Nol als zangduo optreden. Na een auditie bij de destijds bekende voordrachtskunstenaar Henri Wallig, die in Amsterdam het ‘Cabaret der Onbekenden’ leidde, kreeg het duo al spoedig enige bekendheid.
Korte tijd later gaven ze hun banen bij de Bijenkorf op en stapten het artistenvak binnen. En al spoedig zou het tweetal uitgroeien tot de eerste teenager-idolen van ons land.
Max ‘Jones’ Kannewasser kon als oudste van het tweetal al bogen op enige ervaring in het artistenvak. Van 1935 af was hij als vocalist onder de artiestennaam ‘Andy Yazoo’ verbonden aan de de in 1931 opgerichtte Amsterdamse semi-profband ‘The Merry Makers’ onder leiding van pianist Jan Staats.
In 1936 werd het duo voor de eerste maal gesignaleerd in het september nummer van het maandblad ‘De Jazzwereld’. Johnny and Jones debuteerden op zondag, 9 augustus 1936 samen met de Amsterdamse semi-profband ‘The Merrymakers’ in het ‘Casino’ in Den Helder. Een zekere ‘VL’ meldde:
“Wij kunnen gerust zeggen dat dit debuut [van de ‘Merry Makers’] een groot succes geworden is. Het duo ‘Johnny and Jones’ had eveneens veel succes. De guitarist kon ons echter minder bekoren; hij mag nog wel eens op de voor hem blijkbaar te moeilijke accoorden studeren en niet al te eenvoudige en daardoor minder harmonische er voor in de plaats stellen. De door hem hiervoor te nemen moeite zal hem geen windeieren leggen.”
Door de kleine ‘hype’ die rondom ‘Johnny and Jones’ inmiddels is ontstaan wordt ook het (tenor-) gitaarspel van Johnny nog wel eens overschat. Hij ontpopte zich in enkele jaren tot een verdienstelijke en swingende begeleider, maar een werkelijk toonaangevende Nederlandse gitarist is hij nooit geworden. De liefhebber, die tijdens de jaren dertig werkelijk geïnteresseerd was in het jazzy gitaarspel, kocht en bestudeerde de platen van Amerikaanse grootheden als Eddie Lang, Dick McDonough, Carl Kress en de eerste Europese gitaarvirtuoos Django Reinhardt. Eind jaren dertig kwam daar nog bij de Amerikaan Charlie Christian.
De beste jazzgitarist in het voormalige Nederlandsch Indië, Otto W. Mackenzie, werd aanvankelijk dan ook ‘de Indische Eddie Lang’ genoemd. De meest bekende tenorgitarist uit de jazzgeschiedenis is zonder twijfel de Amerikaan Eddie Condon, die de banjo verruilde voor de viersnarige gitaar. Maar ondanks zijn swingende gitaarspel heeft Eddie Condon zijn faam voornamelijk te danken als organisator van jam-sessions.
Intussen stonden Johnny and Jones vanaf eind 1937 met enige regelmaat voor de VARA-microfoon en spoedig kregen ze daardoor landelijke bekendheid.
Onder deze kop verscheen de tweede vermelding van het duo in het maandblad ‘De Jazzwereld’, van oktober 1938. Enkele citaten:
“De onder dezen naam optredende grappenmakers zijn reeds lang geen onbekenden meer bij het radio-luisterende en uitgaande publiek. Van half Augustus tot sluiting van het seizoen [1938] traden Johnny & Jones op in het cabaret Louis Davids te Scheveningen, en (het zij direct er aan toegevoegd) met zeer veel succes! Mr. Jones was ons reeds van vroeger goed bekend. Hij behoorde tot de trouwe bezoekers van de bijeenkomsten van de Nederlandsche Hot Club in Amsterdam. In dat opzicht zijn hun ‘geloofsbrieven’ dus volkomen in orde. Als ‘ambassadeurs’ hebben zij echter niet de serieuze jazz gekozen, doch de vertegenwoordiging en vertolking van het slechts zeer zijdelings verwante komische genre. ‘Waarom, aldus Mr. Jones, zou men wèl de Amerikaansche grapjes van Fats Waller aan den vleugel accepteeren en ons genre moeten verwerpen?’ Inderdaad, dit zou onlogisch zijn. Bovendien zoeken Johnny & Jones het niet in de imitatie, maar zij zijn volkomen origineel. Van jazzliefhebberij alleen kan men nu eenmaal niet leven, en zij hebben in de parodie (die meer tegen de woorden dan tegen de muziek gericht is) een bestaan gevonden. Van het repertoire van Johnny (zang en guitaar) en Jones (zang en gangmaker) dat zich steeds vernieuwt, noemen wij onder andere het nieuwste Amerikaansche komische nummer ‘Flat Foot Floogie’; de breaks in dit nummer bewezen, dat de heeren inderdaad van jazz het een en ander afweten; voorts ‘Swing Your Song, Violetta’, ‘Ti-Pi-Tin’ en hun parodie op [de Amerikaanse vocalist en bandleider] Cab Calloway.”
Dat Johnny and Jones volkomen origineel waren is niet helemaal juist. Hun grote voorbeeld was het Amerikaanse duo ‘Slim and Slam’, die het reeds genoemde ‘Flat Foot Floogie’ componeerde. Bulee ‘Slim’ Gaillard (1916-1991) zong en speelde gitaar, piano, vibrafoon, drums en soms zelfs tenorsax. Leroy Elliott ‘Slam’ Stewart (1914-1987) zong en was een uitstekende bassist. In tegenstelling tot Johnny and Jones waren Slim and Slam ook uitstekende bandmusici. Slam Stewart kreeg vooral bekendheid met (een octaaf hoger) meeneuriën tijdens zijn gestreken bassolo’s en hij behoorde tijdens de jaren dertig en veertig tot de toonaangevende jazzbassisten.
In 1937 vormden Slim and Slam een duo en oogstten ze veel succes met hun grootste hit de ‘Flat Foot Floogie’. De oorspronkelijke titel was ‘Flat Foot Floozy’, wat zoveel betekende als een opzichtig geklede dame van lichte zeden met platvoeten. Door de Amerikaanse censuur gekuist werd het nummer echter gelanceerd als een nieuwe dans.
Opmerkelijk is dat Slim Gaillard (zang, piano, gitaar, drums) met zijn nieuwe partner, de bassist en vocalist Bam Brown, al in 1946 een soort van komische mini-kameropera componeerden onder de titel ‘Opera in Vout’ (Groove Juice Symphony). Het ruim tien minuten durende werkje werd door het tweetal uitgevoerd op 22 april 1946 in Los Angeles en bestond uit de volgende delen: Introduzione Pianissimo (Softly, most softly), Recitativo e Finale (of much scat), Andante Cantabile in Modo de Blue (C Jam), Presto con Stomp (with a Floy-Floy). De ‘live’-opnamen van de ‘Opera in Vout’ verschenen destijds op twee 78-toeren-platen.
In de loop van 1938 waren Johnny and Jones met enige regelmaat te beluisteren via de VARA-radio, waarbij ze enkele malen ook als intermezzo optraden met het dansorkest de ‘Ramblers’. De oudste opnamen van Johnny and Jones die bewaard gebleven zijn gemaakt voor de VARA-radio en dateren van 24 augustus 1938 [zie NJA cd-0101 en de discografie in dit nummer]. Het was dan ook Ramblers-leider Theo Uden Masman, die de toenmalige directeur van de Hollandsche Decca Distributie, H. W. ‘Henk’ van Zoelen, de tip gaf deze jongens eens uit te nodigen voor een proefplaatje. Aldus geschiedde, en de voormalige Decca-directeur Henk van Zoelen vertelde tijdens een interview kort voor zijn dood aan Harry Coster onder meer:
“Johnny and Jones zijn in 1938 [als platen-artisten] begonnen bij ons. Ik had altijd lol met die jongens en in de opname-studio had ik reuze gein. Ik ben dus eigenlijk door Theo Uden Masman aan hen gekomen. Ze werkten toen voor de VARA en kwamen met de Ramblers in één programma en toen zei Theo: ‘Henk, dat moet je eens opnemen, dat is zo leuk.’ En toen hebben we ze gepland op een opname-dag met de Ramblers.”
De eerste opnamedag vond plaats tijdens de eerste helft van november 1938 en de eerste plaat van het duo met onder andere ‘Mijnheer Dinges Weet Niet Wat Swing Is’ werd al direct een succes en groeide zelfs uit tot een Nederlandse ‘evergreen’. In totaal werden in de periode van november 1938 tot maart 1940 zeven Panachord-platen in de handel gebracht. [NB: deze opnamen, aangevuld met vier extra titels, zijn te vinden op de cd Panachord DH-2051, verkrijgbaar bij het NJA].
Dat de samenwerking met de Ramblers hecht was, is te horen in de teksten van de volgende twee liedjes. In ‘Mijnheer Dinges’ wordt Theo Uden Masman met name genoemd, terwijl de hoofdpersoon in ‘Lou De Ladenlichter’ een broer blijkt te zijn van ‘Flip De Fluiter’, de gelijknamige held uit de een populaire compositie van Ramblers-arrangeur Jack Bulterman.
Nog voor hun grammofoonplatendebuut trad het duo gedurende oktober 1938 enkele weken op in de bekende Rotterdamse dancing ‘Pschorr’ ter afwisseling van het orkest van de Amerikaanse trompettist Bobby Martin. Ook waren Johnny and Jones graag geziene en gehoorde gasten tijdens de ‘Zomerfeesten’ die werden georganiseerd door de VARA.
Mede door de reeds gesignaleerde herleefde belangstelling voor Johnny and Jones wordt er in enkele gevallen zeer hoog opgegeven over de componeerkwaliteiten van het duo. Met name wordt het joodse element in de songs van van Nol ‘Johnny’ van Wesel genoemd. Hun parodistische teksten op actuele gebeurtenissen waren echter vooral gekruid met een mengeling van joodse gein en Amsterdamse humor. Terwijl in de wereld van de opera dikwijls de librettist in de vergetelheid dreigt te raken, is het bij de zogenoemde ‘lichte’ muziek echter meestal de componist die vergeten wordt. Dit verschijnsel doet zich ook voor bij de ‘revival’ van Johnny and Jones: het was immers pianist Joop de Leur, die de beste liedjes van eigen bodem voor het duo componeerde. Hij wordt in de huidige publiciteit over Johnny and Jones echter niet of nauwelijks genoemd.
Johannes Anthonius ‘Joop’ de Leur (Rotterdam, 5 juni 1900 - Bielefeld, Westfalen, Duitsland, 3 september 1973) was een Nederlands jazz-pionier, befaamd artistenbegeleider en vooral de componist van vele bekende liedjes. Joop de Leur had van moederszijde één joodse grootouder en wist daardoor de tweede wereldoorlog zonder al te veel problemen te overleven [zie NJA bulletin nr 10 en de Index]. Johnny and Jones gebruikten voor hun dikwijls aardige en grappige teksten voornamelijk de oorspronkelijke melodieën van actuele Amerikaanse en Britse hits en bekende Nederlandse liedjes [zie de in de discografie genoemde componisten].
De bekende dirigent en publicist Max Tak, medewerker van de concurrende omroepzuil de AVRO, schreef in ‘De Telegraaf’ van 12 januari 1939 daarover onder meer:
“Johnny and Jones die zich ‘two kids and a guitar’ noemen, zongen voor Panachord ‘Flat Foot Floogie’ en ‘Swing Your Song, Violetta’! De verheugend nauwkeurig werkende editeur heeft er op het etiket melding van gemaakt, dat vijf persoonlijkheden aan het tot stand komen van ‘Swing Your Song Violetta’ hebben meegewerkt (in volgorde van opsomming): O. Klose, G. Verdi, R. Lukesch, Johnny and Jones. Er is niet eens een overdreven mate van muzikaliteit voor noodig om te kunnen constateeren welk aandeel [de Italiaanse componist Giuseppe] Verdi in ‘Swing Your Song, Violetta’ had. Johnny and Jones zijn in hun genre uitstekend, zij bezitten vaardigheid en souplesse, hebben met veel aandacht buitenlandsche voorbeelden bestudeerd en zich een stijl eigen gemaakt, die met hun bekwaamheden overeenstemt”,
aldus Max Tak.
Naast de jazz-hatende pianoleraar ‘Mijnheer Dinges’ werd in ‘Swing Your Song, Violetta’ de opera door het duo in ’t ootje genomen. Dat ze ruim zestig jaar later door Theo Loevendie en Carel Alphenaar zouden worden geëerd met een aan hen gewijde kameropera kon toen niemand voorzien.
De eigen composities die worden toegeschreven aan het duo zijn in de meeste gevallen ‘meezingers’, zoals ‘Maak Het Donker In Het Donker’, of zijn gebaseerd op Angelsaksische traditionele accoordenschema’s. Zelfs rijst de vraag of de vijf liedjes, die in augustus 1944 op de plaat werden vastgelegd, werkelijk wel voor honderd procent eigen werk waren. In de eerste plaats waren Johnny and Jones populaire microfoon-zangers die met de nodige swing, hun rappe tongen en quasi-Amerikaans accent de jongeren van weleer al snel in hun ban wisten te krijgen. En zelfs nu zijn er nog velen die met plezier de cd‘s afspelen met de oude opnamen van dit illustere duo.
Overigens waren, voorzover bekend, beiden de kunst van het noten lezen en schrijven niet machtig.
Op 11 maart 1939 [en niet 1937, zoals foutief in het boekje van NJA cd 0101 wordt vermeld] vonden er in de concertzaal van de Antwerpse Dierentuin optredens plaats van Amerikaanse en Nederlandse artiesten. Naast het beroemde Amerikaanse zangkwartet de Mills Brothers, waren te beluisteren de Amerikaanse vocaliste en trompettiste Valaida Snow, de Nederlandse band de ‘Internationals’ onder leiding van bassist Jack de Vries en Johnny and Jones.
De alom aanwezige Bob Schrijver meldde in ‘De Jazzwereld’ van april 1939:
“Voor vrolijkheid zorgden de populaire Johnny en Jones en dit is hen wel toevertrouwd. Dit duo heeft tal van originele invallen, die zij op een geheel persoonlijke wijze weten te brengen en waarmede zij, zoowel in de zaal als voor de mike, dadelijk het publiek voor zich innemen. En wanneer zij dan ook nog à la Cab Calloway de ‘hey de hey’ aan het publiek geven en de ‘ho de ho’ terugvragen, dan is het hek heelemaal van den dam. Ter eere van den voetbalwedstrijd België-Nederland zouden deze uitstekende ‘entertainers’ op 18 Maart [1939] nogmaals in Antwerpen optreden”,
Dat het duo inmiddels buiten onze grenzen bekendheid had gekregen blijkt uit het feit, dat er zowel in Engeland als in België een 78-toerenplaat van het duo op de markt werd gebracht.
Na de Duitse overrompeling van mei 1940 en de daarop volgende bezetting konden Johnny and Jones aanvankelijk nog zonder veel problemen blijven optreden. In het begin van 1941 trad het duo bijvoorbeeld nog op met onder meer de Ramblers onder leiding van Theo Uden Masman. In de Amersfoortse Courant van 6 februari 1941 verscheen een anoniem, doch enthousiast verslag onder de kop “Jazz-klanken in het Grand Théâtre”. Enkele citaten:
“Jong en oud kon genieten van de ongeëvenaarde muzikale en vocale prestaties, die het publiek werden voorgezet door de alom bekende ‘Ramblers’ van Theo Uden Masman, bijgestaan door de niet minder bekend tweetal, de Amsterdamsche jongens Johnny en Jones, ‘two boys and a swingguitar’. Een apart woord willen we wijden aan deze twee Amsterdammers in hart en nieren, die een geheel eigen programma hadden. Het was ongeloofelijk, wat die ‘Kleine Mannetjes’ en vooral de kleinste, Johnny, uit hun keel wisten te halen. Johnny en Jones zijn actueel, getuige hun liedjes over de punten [distributie-bonnen], waarin zij met recht beweerden, dat je "zonder punten geen interlockie koopen kan", want "Punten, punten, daar komt het op aan". Natuurlijk moest de zaal meezingen en uit volle borst werd menig bezwaard hart ‘gelucht’. Ook het verduisteringslied ‘Maak Het Donker In Het Donker’, een parodie op dezen tijd, oogstte veel bijval. Het drama van ‘The Spyder and the Fly’ sloeg eveneens in. Een deel van het groote succes van dit tweetal schuilt behalve in hun vrijmoedig optreden en rapheid van tong in de origineele tekst, waarin zij Amerikaansche songs voor het Hollandsche publiek brengen. Johnny en Jones brachten nog ‘De Koekoek In De Klok’, ‘Loe De Ladenlichter’ en een ‘Soepballet’, eenige bekende nummers, waarmede zij daverend succes hadden.”
Het pleit voor de anonieme verslaggever dat hij in februari 1941 joodse artiesten als Johnny and Jones introduceerde als ‘Amsterdammers in hart en nieren’.
Begin 1941 verslechterde het leefklimaat voor de Nederlandse joden in ras tempo. Anti-joodse verordeningen volgden elkaar steeds sneller op, met het gevolg dat joodse artisten eind 1941 niet meer in het openbaar mochten optreden. Ze mochten alleen nog optreden voor ‘uitsluitend joodsch publiek’. In Amsterdam vond dat vooral plaats in de tot ‘Joodsche Schouwburg’ omgedoopte ‘Hollandsche Schouwburg’ aan de Plantage Middenlaan (thans een monument) of andere uitsluitend voor joden toegankelijke lokalen.
Het laatst bekende verslag van een openbaar optreden van Johnny and Jones verscheen anoniem in het Nationaal Socialistische tijdschrift ‘De Misthoorn’ van 6 september 1941. Johnny and Jones zongen op zondag 24 augustus 1941 in de Haagsche Dierentuin tijdens het kampioensfeest van de voetbalclub ADO. Enkele citaten:
“Mijn stemming steeg, toen ik het uit 90% joden bestaande orkest had bewonderd. Wat een neuzen! Het was werkelijk aandoenlijk. Maar toen kwam nog de groote verrassing: het optreden van niemand meer of minder dan de joden-reizigers-artisten Johnny en Jones, die hun vrije Zondagavond besteedden door naast hun tegenwoordige vak als reiziger ook nog als ‘artist’ hun arische collega’s het brood uit den mond te stelen. Wat een heerlijke bargoensche klanken stootten deze twee vieze jodenkinderen uit! Het was om te genieten en de zaal hing dan ook aan hun dikke jodenlippen”,
aldus deze Nederlandse antisemiet.
Johnny and Jones adverteerde in 1941 en 1942 nog regelmatig in ‘Het Joodsche Weekblad’ met opwekkende rijmpjes. Of dit tot veel betaald werk heeft geleid is niet bekend. Wel is bekend dat Johnny and Jones bij incidentele gelegenheden hun medewerking verleenden; op 26 maart 1942 waren ze, behalve als gast ook als muzikale ceremoniemeesters, aanwezig bij een bruiloft van een oud-collega van ‘De Bijenkorf’. Van de liedjes die ze voor deze gelegenheid ten gehore brachten werden enkele dagen later grammofoonplaten gemaakt, waarvan een complete set bewaard gebleven is. Deze opnamen zijn ook te beluisteren op de NJA cd 0101. In 1942 traden Johnny and Jones zelf ook in het huwelijk.
In 1939 werd door de Nederlandse regering in Westerbork, in de provincie Drenthe, een centraal vluchtelingenkamp voor uit Duitsland gevluchte joden ingericht. Het kamp ressorteerde tot 1 juli 1942 onder het (inmiddels genazificeerde) Departement van Justitie; daarna werd het overgenomen door de Sicherheitspolizei, die het kamp ging gebruiken als ‘Judendurchgangslager’. Van oktober 1942 af tot april 1945 was de SS-er Albert Konrad Gemmeker (1907-1982) de kampcommandant van Westerbork.
Op 9 oktober 1943 arriveerden Johnny and Jones met hun echtgenotes in Westerbork. Beiden werden te werk gesteld in de vliegtuigsloperij. Door de vele uitstekende artiesten die in het kamp verbleven werden regelmatig optredens georganiseerd in de vorm van een revue. Dat er uitsluitend duitstalige teksten op het podium waren toegestaan was voor Johnny and Jones natuurlijk rampzalig. Ze volgden zelfs Duitse taallessen. Het duo trad onder gegermaniseerde artiestennamen als ‘Jonny und Jones’ slechts éénmaal, in maart 1944, op in zo’n kamp-revue. Het kleine Duitse repertoire waarover ze beschikten was natuurlijk niet toereikend en nauwelijks interessant voor de fans die het tweetal voor de oorlog hadden gehoord. Wel trad het duo met enige regelmaat voor hun Nederlandse otgenoten op in het ‘Kaffee Haus’ en in of tussen de barakken.
Het werk in de sloperij bracht met zich mee dat Johnny and Jones enkele malen op dienstreis naar Amsterdam werden gestuurd.
Tijdens hun laatste dienstreis in augustus 1944 werd het duo in staat gesteld zes liedjes op de snijplaat vast te leggen. Deze opnamen waren jarenlang met een bijna mystieke waas omgeven, niet in het minst veroorzaakt door de maker van de opnamen, Ing. H. Luders, eigenaar van de opnamestudio NEKOS (Nederlandsche Klank Opname Studio), gevestigd aan de P.C.Hooftstraat 152 in Amsterdam.
Enkele jaren na de oorlog werden er door NEKOS op hun ‘Sonante’-label 78-toeren kopieën op snijplaten gemaakt van de zes opnamen uit 1944, waarbij blijkt dat men de juiste artistennamen van het duo niet meer kende.
In 1964 verscheen een door kleinkunstenaar Alex de Haas geproduceerde Decca-EP met vier Panachord-opnamen van Johnny and Jones uit 1938. Hierna deed NEKOS een 25 centimeter LP het licht zien met de in hun studio gemaakte zes opnamen uit augustus 1944. In een aan deze LP-uitgave voorafgaand persbericht werd door de NEKOS-directie gesuggereerd dat Nol en Max tijdens een dienstreis naar Weesp naar Amsterdam hadden weten te komen en daar min of meer klandistien deze zes opnamen hadden kunnen maken.
Inmiddels blijkt dat het NEKOS-verhaal op een aantal punten niet kan kloppen. Veel plausibeler lijkt de volgende gang van zaken: Johnny and Jones werkten bij de sloperij in Westerbork en hadden daardoor enige bewegingsvrijheid. Met enige regelmaat moesten neergestorte vliegtuigen worden geborgen en getransporteerd van diverse plaatsen in ons land naar de sloperij in Westerbork. Gewapend met een zogenoemde ‘Sperre’ (een voorlopige vrijstelling van deportatie) van de Duitse Wehrmacht was het duo reeds eerder in Amsterdam geweest.
Het bezit van de ‘Sperre’ en het feit dat hun echtgenotes en overige familieleden zich in het kamp bevonden was waarschijnlijk de reden waarom Johnny and Jones er niet aan dachten om onder te duiken. Vanwege de steeds verslechterende oorlogssituatie waarin Duitsland verkeerde waren op 3 augustus 1944 door commandant Gemmeker (bij Lager order 86) alle culturele activiteiten in Kamp Westerbork verboden, dus ook in het ‘Kaffee Haus’. Gezien de teksten van het op de plaat vastgelegde repertoire lijkt het niet onwaarschijnlijk dat het initiatief van het opnemen van de zes liedjes niet van het duo zelf kwam. Was het op verzoek van de kampleiding of op advies van bijvoorbeeld Willy Rosen dat Johnny and Jones een soort muzikaal visitekaartje maakten voor hun toekomstige bestemmingen? Bovendien is het zeer ongeloofwaardig dat in het vrijwel ‘Judenreine’ Amsterdam van augustus 1944 twee sterdragende joden enkele uren bezig zijn geweest om zogenaamd ‘illegaal’ zes, waaronder twee duitstalige, liedjes op de plaat vast te leggen. De teksten verhalen voornamelijk over het leven en werken in Westerbork en konden zonder problemen de Duitse censuur passeren. Dit alles versterkt de indruk dat NEKOS bij de Duitse of Duits-vriendelijke instanties kennelijk als ‘betrouwbaar’ stond aangeschreven. De originele opnamen werden door Johnny and Jones meegenomen naar Westerbork en zijn nooit teruggevonden. De kopieën die door Ing. Luders werden gemaakt zijn gelukkig bewaard gebleven.
Op maandag 4 september 1944 werden Johnny and Jones met hun familieleden en collega-artiesten op transport gesteld naar Theresienstadt in het voormalige Tsjechoslowakije. Op 29 september 1944 werd het duo vervolgens naar het concentratiekamp Auschwitz in Polen getransporteerd. Via korte verblijven in de kampen Sachenhausen en Ohrdruf, een Aussenkommando van het kamp Buchenwald, arriveerden Johnny en Jones in maart 1945 in het beruchte Duitse concentratiekamp Bergen-Belsen, waar ze kort na elkaar overleden aan de geleden ontberingen; Jones op 20 maart 1945 en Johnny op 15 april 1945, de dag waarop het kamp door de geallieerden werd bevrijd.
De laatste maanden is in de pers uitgebreid aandacht besteed aan Johnny and Jones, naar aanleiding van de nieuwe ‘kameropera’ van componist Theo Loevendie en librettist Carel Alphenaar. Bij enkele van deze verhalen moeten echter wel de nodige vraagtekens worden geplaatst. Zoals bijvoorbeeld bij het verhaal dat Johnny and Jones omstreeks eind oktober 1944 in het concentratiekamp Sachsenhausen zouden hebben gezongen op de verjaardag van de S.D.A.P.-leider Koos Vorrink, die daar geïnterneerd was. Dit lijkt erg onwaarschijnlijk. Om te beginnen vierde Jacobus Jan ‘Koos’ Vorrink (1891-1955) zijn verjaardag op 7 juni. Op die datum in 1944 verbleven Johnny and Jones nog in Westerbork en op 7 juni 1945 waren beiden overleden. Overigens was Koos Vorrink niet bepaald een jazzliefhebber.
Het duo heeft volgens vooroorlogse berichten gezongen voor de microfoons van de Britse en Noorse radiozenders. De opnamen zijn waarschijnlijk in Nederland gemaakt, want voorzover bekend heeft het duo deze landen nooit bezocht. Het enige buitenlandse bezoek dat met zekerheid bekend is betreft enkele optredens in België in maart 1939. Ook dient te worden opgemerkt dat de kameropera ‘Johnny and Jones’, zoals menige goede opera betaamt, vrijwel geheel op fictie berust. De toenmalige directeur van de Hollandsche Decca Distributie, Henk van Zoelen, had bijvoorbeeld geen enkele binding met NEKOS en heeft dan ook niets te maken gehad met de aldaar in 1944 gemaakte opnamen.
Theo Loevendie’s tante, de revue-danseres Caroline ‘Lini’ Loevendie, is ongetwijfeld een bijzondere vrouw geweest, maar dat ze een beroemde Europese vedette is geweest, lijkt een tikkeltje overdreven. Er is tot nu toe één advertentie teruggevonden uit november 1927 van cabaret dansant ‘La Gaité’, waarin wordt vermeld dat ‘Lini Loevendie en het phenomenale danspaar Norma & Shanley voor de afwisseling zorgen’. Of Lini Loevendie en Johnny and Jones elkaar ooit hebben ontmoet is haar nooit gevraagd, maar dat zal wel niet het geval geweest zijn.
Er bestaan plannen om het levensverhaal van ‘Johnny and Jones’ in boekvorm te laten verschijnen. Ik hoop van ganser harte dat de ‘Story of the two kids and a guitar’ nieuwe feiten aan het licht brengt, want behalve enkele verslagen van hun optredens en recent opgedoken documenten, is er vrijwel niets over het privé leven van het duo bekend. Een goed geëditeerde biografie van de twee ‘swingnozems’, met hun dikwijls grappige teksten die ontstonden tijdens hun korte loopbaan, zou ik echter graag een plaatsje op de boekenplank gunnen. In ieder geval mogen de Johnny and Jones-liefhebbers dankbaar zijn voor de artistieke prestatie die het hedendaagse duo Theo Loevendie en Carel Alphenaar heeft geleverd.
NB: In het Verzetsmuseum in Amsterdam is een expositie ingericht over Johnny and Jones, die tot half oktober 2001 te bezichtigen is.